Tijd voor nuance in het leefloondebat

U komt ze wel eens tegen, de mensen in uw omgeving die niet aan de bak komen. Eigen schuld, dikke bult? Soms wel, soms niet. Er wordt over die mensen vaak zonder nuance geoordeeld. Vaak gaat het om wanhopige sukkelaars. Echte luiaards of profiteurs in sommige gevallen.

Maar veel meer gaat het over mensen die niet met een overschot aan intelligentie zijn geboren en niet beter kunnen. En over anderen die op dat vlak echt niets tekortkomen maar om God weet welke reden op de dool zijn geraakt. En over nog anderen die gefrustreerd en onmachtig zijn geworden door aanhoudende werkloosheid, en uiteindelijk hun uitkering verliezen. Of over mensen die door een net iets te eigenzinnig karakter van het goede spoor zijn geraakt.

Wie al die groepen over dezelfde kam scheert, is niet goed wijs. Voor een aanzienlijk aantal van die mensen is een leefloon de reddingslijn van de maatschappij die probeert de onderlaag van de samenleving toch te laten overleven.

Wie de oplossing voor dit probleem in het koppie heeft, mag nu rechtstaan. Tussen de idiotie van ongenuanceerd beschuldigen van de leefloners enerzijds en de idiotie van een ongenuanceerd beschuldigen van de overheid die nooit voldoende middelen kan genereren om dat probleem aan te pakken anderzijds, ligt gelukkig een breed veld van nuance.

Hoeveel?

Om hoeveel mensen gaat het? Hoeveel leefloners zijn er eigenlijk? Waar leven ze? En wat vangen we ermee aan? De extreemlinkse socioloog Jan Hertogen zorgt geregeld voor mooie cijferinformatie en percentages. Getallen die de overheid op geregelde tijdstippen ook publiceert, maar die al bij al weinig media-aandacht krijgen. Te weinig. Je hoeft het niet eens te zijn met Hertogens gauchistische conclusie (“Leefloon is het ultieme teken van beschaving”) om ze toch eens van nabij te bekijken.

In zijn jongste ezine “BuG 261 – Bericht uit het Gewisse – 20 maart 2015” (www.npadata.be) noteert hij dat dit land 103.019 leefloners telt. Dat is iets minder dan 1 procent van de totale bevolking (0,92 procent). Het zijn er almaar meer.

Leefloner ben je “voltijds” of “deeltijds”. Het gaat om mensen die nog nooit werkten, die weinig werken en met hun werk onder het leefloonbarema uitkomen (en ‘gedeeltelijk’ leefloon krijgen), of die geen uitzicht op werk meer hebben, en niet of onvoldoende inkomen verwerven langs de sociale zekerheid. Voor hen komt bestaanszekerheid in de plaats van sociale zekerheid. Dat leefloon “een ultiem teken van beschaving” en dat zonder leefloon “het aantal bedelaars vertienvoudigen en de criminaliteit zou verdubbelen”, klinkt goed. Maar Hertogen legt hiermee alle “schuld” bij de samenleving die de perfectie van een supermilde sociale zekerheid niet kan of niet wil organiseren. Dat is niet correct en als radicale veralgemening even absurd als de stelling dat alle leefloners profiteurs zouden zijn.

Verschillen

Interessant is de regionale opsplitsing van die informatie. In het Vlaams Gewest zijn er 25.193 leefloners, of 0,39 procent. In het Waals Gewest zijn er 47.383 leefloners, of 1,33 procent. In het Brussels Gewest zijn er 30.301, of 2,58 procent. De gedeeltelijke leefloners vormen 30 procent van het totale aantal leefloners.

Binnen Vlaanderen zijn de verschillen per provincie ook aanzienlijk, maar dat heeft alles te maken met de aanwezigheid van steden. Zo telt Antwerpen 8.531 leefloners, Oost-Vlaanderen 7.257, West-Vlaanderen 3.969, Vlaams-Brabant 3.144 en Limburg 2.192. Dat verschil is in Wallonië nog groter. Daar gaapt een gigantische kloof tussen Henegouwen (19.806) en Luik (17.837), enerzijds, en Namen (5.693), Waals-Brabant (2089) en Luxemburg (1958).

Maar de ingekleurde kaart met leefloners per gemeente laat er geen twijfel over bestaan: de regionale kloof is bijzonder diep. Wallonië en Brussel kleuren donkerrood. Luxemburg telt als best scorende Waalse provincie (0,70 procent) veel meer leefloners dan Oost-Vlaanderen (0,50 procent) en Antwerpen (0,47 procent), de twee slechtst scorende Vlaamse provincies.

Dezelfde oefening kun je maken voor de steden, met dezelfde conclusie. Het Gent van Daniël Termont scoort met 1,53 procent leefloners minder goed dan Antwerpen met 0,90 procent, maar veel beter dan Bergen (2,42 procent) en Charleroi (2,61 procent).

In de andere gewesten zijn er duidelijk meer volledige leefloners dan in Vlaanderen. Het aantal jonge leefloners is veel groter in Wallonië dan in Brussel en Vlaanderen. Dat gaat dan vooral over studenten in wachttijd die na drie jaar geen recht meer hebben op werkloosheidsuitkering of wanneer de maximale termijn wordt overschreden.

Trend

De statistieken geven niet alleen een doorsnede van 2014, ze geven ook de trend weer. In weerwil van veel nonsens die daarover verteld wordt, blijkt dat de leefloonkloof almaar groter wordt.

Van 2011 tot 2014 nam het aantal leefloners in Vlaanderen nauwelijks toe (van 0,37 naar 0,39 procent). In Wallonië was er een stijging met 0,9 procent en in Brussel met 1,9 procent.

Waarom?

De verklaring van Hertogen voor de regionale kloof is nogal simpel: “Wallonië bloedt nog altijd van de industriële neergang in de 20ste eeuw.” Dat liedje wordt nu al zo lang gezongen. Afstand nemen van dat oercliché (die neergang is al twee generaties geleden), dat moet je aan een marxist niet vragen. Integendeel, na het ene simplisme volgt het andere. “De politiek heeft nooit geholpen om een kentering in Wallonië tot stand te brengen”, citeert hij de publicist Pascal Verbeken uit De Standaard van vorige vrijdag.

“In de Cockerill-fabrieken van Seraing-Luik werkten ooit 40.000 arbeiders. Die vervang je niet zo snel met een kmo-economie waar vooral (hoog)geschoolden gevraagd worden”, verdedigt ook Verbeken die perceptie. Hij moet toch weten dat dit in Limburg met 44.000 mijnwerkers wel grotendeels is gelukt? Hij zal vermoedelijk ook wel weten welke partij en welke politieke kleur er de jongste decennia almachtig waren over de taalgrens?

Dat er in afgelegen gebieden en in de volle Ardennen ook wel een pak dorpen liggen met weinig leefloners, is al evenmin een argument om de regionale kloof te nuanceren. Het leefloonverhaal is een stedelijk verhaal, dat niet weinig te maken heeft met de komst en aanwezigheid van nieuwkomers en migranten.

Die mensen treft geen verwijt; ze zijn op zoek naar geluk. De overheid en de politieke partijen die het land of de regio dragen, hebben wel een verantwoordelijkheid.

Het leefloon is het basisinkomen voor de “have-nots”, maar de federale en regionale bestuurders hoeven niet blind te zijn voor de gevolgen van een onbezonnen migratiebeleid. Dat laatste lost het probleem ten gronde in de landen van herkomst niet op. En ze zadelt de toekomstige generaties hier op met iets dat je nog moeilijk kunt omschrijven als een uitdaging, maar wel als een gigantisch probleem.

Het terugschroeven van de werkloosheidsuitkering in de tijd, het stokpaardje van de fellen van de N-VA, is in die context dan ook behoorlijk naïef. Het probleem verschuift gewoon van de RVA naar de ziekenkas; of naar het leefloon via de OCMW’s. Als Siegfried Bracke en Jan Peumans in De Standaard uit hun kot komen om te weerleggen dat de N-VA asociaal bezig is, moeten ze over de relatie tussen migratie, werkloosheid en leefloon toch eens wat dieper nadenken.

Anja Pieters


Tags toegewezen aan dit artikel:
2015-14

Gerelateerde artikels

Werner Cuvelier in FeliXart Museum

Werner Cuvelier (°1939) wordt beschouwd als een pionier van de ‘conceptual art’, waarbij de idee of het concept centraal staat

Woordje van de hoofdredacteur

‘t Pallieterke is op zoek naar centen De aandachtige lezers weten het ondertussen: ’t Pallieterke is op zoek naar centen

De verdeelde slagorde van de N-VA

Mensen hebben het idee dat het leiden van een partij zoiets is als schaken: het bord overschouwen, je stukken zo