Neckers

Venezia (1)

Waarschijnlijk hebt u het bericht gelezen dat het stadsbestuur de 70.000 dagjesmensen beu is die dagelijks Venetië overspoelen zonder er één eurocent te spenderen. De “Serenissima” kan dit gewoon niet meer aan en denkt eraan hen te laten betalen en zo de toevloed wat te minderen.

Dankzij De Tartaarse helm

Ondergetekende heeft altijd een zwak voor Venetië gehad. Dat dateert van 1951, toen “De Tartaarse Helm” verscheen in het weekblad Kuifje. Dit meesterwerk van Vandersteen – dat al de gebakken lucht van Claus, Verhulst en andere Lanoyes lang zal overleven – bezorgde me een vroegtijdige liefde voor de lagunenstad en een onverantwoorde afkeer voor de snode Genuezen. En dat Vandersteen de campanile (klokkentoren) van het San Marcoplein tekende hoewel die er nog niet stond ten tijde van het verhaal, is maar een detail. Vijf jaar later zong Vlaanderen “Venetië” van componist Hans Flower, met tekst van Marcel Coole, een nu vergeten dichter en als bestuursdirecteur één van de weinige gentlemen die ik ooit bij de VRT kende. Maar het echte Venetië bleef voor de meeste Vlamingen toch iets onbereikbaars hebben, waar je zelfs begin de jaren zestig niet naar toe kon wegens te ver en te duur. De consumptiemaatschappij ging echter ontzettend snel en in 1968 kwam ik er voor het eerst. Je kon toen nog vrij dicht bij de stad parkeren en er waren nog meer Venetianen dan toeristen. Niet zozeer één gebouw of zelfs het San Marcoplein, maar het geheel van de stad was overweldigend. En ik kocht er mijn eerste integrale opname van Simon Boccanegra: een opera van Verdi over een legendarische doge van… Genua. Niet dat Italiaanse operacomponisten Venetiaanse doges misprezen, zij het wel met een zwak voor de tragische figuren (Donizetti: Marin Faliero, Verdi: I due Foscari).

Duizend jaar onafhankelijk

Weinig niet-Italianen weten dat Venetië duizend jaar lang een onafhankelijke staat was, zelfs de enige Italiaanse staat die altijd zijn onafhankelijkheid bewaarde en  geen vreemde dynastie kende. De 118 doges (afgeleid van het Latijnse dux, wat hertog betekent) waren allemaal volbloed Venetianen, op één “vreemdeling” na, want die was… 50 kilometer verder geboren. Duizend jaar lang werd de stad ook nooit bezet door een vijandelijk leger. Volgens de legende is ze gesticht klokslag 12 uur op vrijdag 25 maart 421, maar daar bestaat geen bewijs voor. Het is wel zeker dat een aantal inwoners van het vasteland de moerassige lagune opzochten om er te schuilen terwijl de Goten Italië binnenvielen. De meesten keerden weer naar huis eens de storm gepasseerd was, maar waren vlug terug bij de volgende invasiegolf, tot er tenslotte mensen permanent woonden op de diverse eilandjes. Ze leerden vlug de verraderlijke maar bevaarbare kanalen kennen die voor eventuele vijanden een onoverkomelijke barrière waren. De bewoners van die eilandjes vochten geregeld tegen elkaar. Zelfs de nederzettingen op hetzelfde eiland. Maar altijd was er de gezamenlijke vijand op het vasteland, die een tijdelijke verstandhouding noodzaakte. Op dat moment werd iedereen Venetiaan, een naam afgeleid van een Keltisch volk, de Veneti, en ook de naam van de aangrenzende regio in “terra firma”. Tenslotte verenigden de eilandjes zich in een politieke eenheid en de gezagsdragers vestigden zich op het veiligste eilandje: de Rialto. Nog altijd stellen de meeste toeristen Venetië gelijk met dat ene eilandje. In tegenstelling tot de rest van Italië behield Venetië na de val van het West-Romeinse Rijk zijn banden met het geleidelijk Grieks wordende Oost-Romeinse Rijk. Toen Karel de Grote in 800 in het Westen tot keizer gekroond werd, erkende hij de uitzonderingspositie van Venetië. Op dat moment was Constantinopel al niet meer in staat nog daadwerkelijk het gezag uit te oefenen, zodat de Venetianen in realiteit al volledig onafhankelijk waren.

Georganiseerd en verdraagzaam

Tegen die tijd hadden de Venetianen hun plaats onder de zon gevonden. Ze werden meesters in scheepsbouw, goede navigators en nog betere handelaars. Ze profiteerden van de Arabische opmars en van de vele oorlogen tussen de Oost-Romeinen en die Arabieren om geleidelijk de plaats van de Grieken in te nemen in de winstgevende handel tussen Oost en West. Ze vervoerden slaven en vooral boomstammen naar het houtarme Midden-Oosten en ze stichtten handelsposten in de haventjes waar de karavanen arriveerden met zijde, reukwaren en specerijen uit Indië en China. En ze verkochten alles “peperduur” in Italië, Frankrijk, Spanje en later ook in de havens van de Atlantische Oceaan en de Noordzee. Geleidelijk beheersten de Venetiaanse schepen de Middellandse Zee. Typisch Venetiaans was dat de kapitein van een oorlogsgalei (bemand met vrijwillige roeiers, niet met slaven) altijd een behoorlijke ruimte voorzag om ook handelswaar in te slaan. En de pure handelsschepen – eerst ook galeien en later kraken en koggen – waren bemand met goed opgeleide en geharde matrozen die ook het zwaard konden gebruiken. Venetië was zo goed georganiseerd dat al in 1100 het besluit viel om alle scheepsbouw te concentreren op één plaats: het Arsenaal. Daar werkten op het hoogtepunt dagelijks zo’n 16.000 ingenieurs, timmerlui, zeilmakers en touwslagers. De Venetianen waren in staat iedere dag één oorlogsgalei te bouwen in geval van oorlog. Handelaars zijn zelden fanatici. De Venetianen waren wel trouwe katholieken, maar tot het einde van hun staat ook bijzonder verdraagzaam naar de normen van hun tijd, want mohammedanen, Joden, Grieks-orthodoxen en later protestanten waren allemaal mogelijke handelspartners en hadden dus recht op respect en een eigen heiligdom in de stad. De inquisitie mocht in de middeleeuwen in de stad ketterijen onderzoeken, maar kreeg geen toestemming om iemand te arresteren laat staan te berechten. De pausen die er in de middeleeuwen in slaagden de christelijke vorsten naar hun pijpen te laten dansen, beten de tanden stuk op de Venetianen, die het nooit moe werden de vertegenwoordiger van Christus op aarde onder de neus te wrijven dat hij in aardse zaken een vorst als een ander was en hen niets te vertellen had. Venetië had zelfs de eer de laatste natie te zijn die ooit door een paus in de kerkban geslagen werd. Paulus V dacht in 1605 nog eens dat paardenmiddel te gebruiken. Venetië schakelde zelf eigen theologen in en zijn priesters droegen verder de mis op, dienden de sacramenten toe en lachten eens met de paus. Nooit heeft de Rooms-Katholieke Kerk na dat debacle nog een natie geëxcommuniceerd.

En dan is er het Venetië van de zwarte legende: de gewetenloze handelaars die het Oost-Romeinse Rijk om zeep hielpen, het oord van de onverbiddelijke staatsinquisitie, de sluipmoordenaars in overheidsdienst, het slangennest waar het krioelde van spionnen en verklikkers, de keiharde oligarchie die alles binnen een paar families regelde en gewone Venetianen buitenspel zette. Een groot deel van die verhalen was pure propaganda van de Corsicaanse roverhoofdman Bonaparte, die de Venetiaanse republiek liquideerde. Alleen de eerste beschuldiging is correct. De kruisvaarders van de vierde kruistocht lieten zich in 1204 door de Venetianen verleiden om, in ruil voor hun vervoer, (christelijke) havens en tenslotte Constantinopel zelf in te nemen. Ze stichtten er een Latijns keizerrijk, met de Vlaamse graaf Boudewijn als marionet. Om hun handelsbelangen veilig te stellen en heersers te worden van een flink deel van het rijk, gaven de Venetianen de genadeslag aan de belangrijkste barrière die de Turkse opmars verhinderde. Ze zouden het zich later meer dan beklagen. (Vervolg en slot volgende week.)

Jan Neckers


Tags toegewezen aan dit artikel:
2015-31Jan Neckers

Gerelateerde artikels

Absurdistan

Afscheidsbrief bij Ford Genk Een fotograaf heeft de voorbije maanden foto’s gemaakt van werknemers van Ford, zowel individueel als samen

Van onze hofdichter

Wel te rusten Ik ben bejaard, het rusthuis wacht op mij, maar naar ’t in liedje luidt: wie heeft er

Sport

Terugdenkend aan Jean Trappeniers We schrijven 1973. De latere bondscoach van de Rode Duivels, Guy Thijs, destijds tweevoudig gewezen internationaal,