Terwijl Sven Gatz, kersvers Vlaams minister van Cultuur en Media, wordt bestookt met open brieven vanuit de sectoren die zonder subsidies kopje-onder zouden gaan, buigen wij ons bij het begin van een Vlaams overheidsbeleid dat anders belooft te worden dan vroeger, over de situatie van de Vlaamse filmproductie. De geruchten indachtig dat de VRT zo’n 27 miljoen euro moet besparen wegens – ruw gezegd – te succesvol, zou het mij niet verbazen dat één of andere politicus zich geroepen voelt te stellen dat de Vlaamse film het momenteel uitstekend doet en dat de overheidshulp best omlaag kan. Des te meer omdat het “tax shelter”-systeem – met een inbreng van de privésector in Vlaamse films – op volle toeren draait. De vraag is of dat een goede maatregel zou zijn. Een woordje uitleg.

Succes?

Gaat het echt zo goed met de Vlaamse film? Ja en neen. Buiten het feit dat “Flying Home” van Dominique Deruddere en de “Witse”-film flopten en dat de Amerikaanse release van Erik van Looy’s “Loft” – een Amerikaanse productie, maar waarin meer Vlaams geld zit dan je zou denken – niet uit de startblokken komt, valt er haast alleen maar positief nieuws te melden. “Marina” van Stijn Coninx, “Het vonnis” van Jan Verheyen en “F.C. De Kampioenen” scoorden aan de kassa. Internationale prijzen alom, met als hoogtepunt een Oscarnominatie voor “The Broken Circle Breakdown”. Er zijn berichten over een nieuwe Vlaamse film die van start gaat, en Matthias Schoenaerts die een zoveelste filmcontract tekent. Tussen nu en een jaar gaan er ongeveer een tiental films in première. Triomfberichten in de media. Niet moeilijk dat iedereen denkt dat de Vlaamse film vleugels heeft gekregen.
Wie enigszins vertrouwd is met wat in de Vlaamse filmwereld reilt en zeilt, weet dat die vleugels bijzonder broos zijn. Tussen de aangekondigde films zitten heel wat debuten en daarbij stelt iedereen zich de vraag of die regisseurs, zelfs als hun film succesvol is, een tweede en derde film zullen draaien, en/of wanneer. Erik van Looy, Michael Roskam en Felix van Groeningen zullen hun volgende film wel gefinancierd krijgen. Voor vele anderen is er simpelweg niet genoeg (overheids)geld. Ze staan met velen te trappelen om aan de slag te gaan. Elk jaar leveren de filmscholen (niet minder dan vijf in Vlaanderen) een aantal kersverse regisseurs af. Heel talentvol, zegt men, maar hoe ze aan de bak moeten komen, is een groot vraagteken. Die willen allemaal zo graag een langspeelfilm maken.

Men kan stellen dat de overheid niet dient om iemands dromen te helpen verwezenlijken. Die moet hij of zij maar zelf concreet invullen. Nu, met film is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Een schrijver kruipt in zijn pen, of zet zich voor zijn laptop. Een kunstschilder koopt bij wijze van spreken een schildersezel, een doek en wat verf en hij is vertrokken. Een film maken daarentegen, dat kost veel geld. Aanvankelijk kun je proberen een film van de grond te krijgen met veel vriendendiensten en wat sponsoring, maar op lange termijn is dat geen optie.

Er zijn er die zo bezeten zijn door hun filmdroom dat ze er hun “fortuin” in steken. Dat heeft al geleid tot persoonlijke drama’s en dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Het VAF

Een filminvestering louter via de ontvangsten in de Belgische bioscopen terugverdienen, is namelijk een utopie, hoe succesvol de film ook mag zijn. Ons landje is daarvoor te klein. De taal en de magere bekendheid vormen hinderpalen voor verkoop aan het buitenland. Als je weer eens leest dat een Vlaamse film aan een aantal landen werd verkocht, stel je daar dan financieel niet te veel van voor. Een dwarsligger als Marc Punt wil het nog wel eens wagen zonder subsidie een langspeelfilm te draaien, maar hij heeft zijn bronnen om het risico te verminderen. Eric de Kuyper werkt momenteel aan een film met geld dat opgehaald wordt via “crowd funding”.

Grosso modo kun je stellen dat Vlaamse films tot stand komen met de hulp van het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds), dat geld verdeelt ter beschikking gesteld door het ministerie van Cultuur. Sinds een aantal jaren zijn daar het “Mediafonds” en “Screen Flanders” bijgekomen, die ook een steuntje in de rug geven. Dat vormt tegenwoordig de basis van zowat elk Vlaams “filmavontuur”.

Hoeveel die overheidsbudgetten momenteel bedragen? Ik zou het niet precies weten. Ze worden in ieder geval verdeeld over een heel gamma activiteiten: kortfilms, animatiefilms, televisiefilms, hulp bij het ontwikkelen van scenario’s, zelfs videogames en – niet onbelangrijk – promotie. Wat maakt dat er zo’n tiental langspeelfilms per jaar op overheidshulp kunnen rekenen. Dan hebben we het over bedragen waarmee je niet kunt beginnen draaien (tenzij je low-lowbudget gaat), omdat het de bedoeling is dat de producenten ook wat geld vinden om de rekening af te ronden.

Of ook de overheidshulp aan Vlaamse films zal moeten inleveren in een algemene besparingsronde, zullen we pas volgende maand weten als de definitieve cijfers worden bekendgemaakt. Maar het zit er dik in, des te meer omdat de algemene perceptie is – ook bij politici – dat het goed gaat met de Vlaamse film, met als “logische” gevolgtrekking dat het best met wat minder kan. Terwijl precies subsidies de kern vormen van dat succes. Weer maar eens een woordje uitleg.

Op zoek naar geld

Wie denkt dat de overheid het manna met volle handen uitstrooit over de ingediende projecten, vergist zich. Zeker wat langspeelfilms betreft, zijn er jaarlijks maar een beperkt aantal die groen licht krijgen, en wat die toegestopt krijgen is onvoldoende om een productie op te starten. De bedoeling is namelijk dat producenten en regisseurs zelf op zoek gaan naar geld om het gat dicht te rijden. Daarvoor zijn wel wat mogelijkheden, maar gemakkelijk is het nooit.

Bijvoorbeeld: aankloppen bij televisiezenders, een deal sluiten met een filmverdeler, hulp van de Europese instellingen of nog, coproductie. Met Wallonië of Nederland, bijvoorbeeld, maar dat ligt de jongste jaren ook al niet gemakkelijk (Nederland koos voor een eigen versie van “Loft” van Erik van Looy, en omgekeerd maakte Jan Verheyen een Vlaamse versie van het Nederlandse succes “In Oranje”). De Duitse deelstaten hebben een uitgebreid filmhulpprogramma waar ook buitenlanders welkom zijn. Andere landen hebben dat ook, maar… telkens dreig je een stuk van je eigenheid te verliezen. De toegevingen die je met dergelijke financiering moet doen, leiden vaak tot “Europudding”-films, niet bepaald een positief bedoelde omschrijving.
Sinds een tiental jaren hebben we in Vlaanderen ook de beruchte “Tax shelter”. Een succesverhaal.

Tax shelter

Samengevat komt het erop neer dat een bedrijf, een bank, een fonds kan investeren in een Vlaamse film en die investering voor 150 procent mag aftrekken van de belastingen. Met daarbovenop nog eens een rendement van 5 en zelfs meer procent. Als dat niet aantrekkelijk klinkt dan weet ik het ook niet meer. Niet te verwonderen dat er in de voorbije tien jaar zo’n 800 miljoen euro op die manier werd opgehaald. 2012 was goed voor 220 miljoen en volgens “De Tijd” kostte dat de staat een kleine 40 miljoen extra (sinds het begin van de tax shelter in totaal al zo’n 187 miljoen euro). Dat is niet niks in deze tijden van besparingen.

Sommigen vinden dan ook dat het systeem zwaar ontspoort, maar dat heeft eigenlijk weinig te maken met de Vlaamse film. Eén van de redenen is dat die tax shelter ook toegankelijk is voor buitenlandse producties en die weten zo’n mogelijkheden vlug te ontdekken Voorwaarde is wel dat ook ons landje daarvan profiteert en zo zien we dat grote internationale producties, zoals “Grace of Monaco” met Nicole Kidman, of “The Fifth Estate” over de Assange-affaire, enkele dagen in ons landje neerstrijken om “een graantje” mee te pikken. Er werden al wetteksten gewijzigd om een einde te maken aan die en soortgelijke praktijken.

In wezen dient die hele tax shelter om de film- en tv-sector in ons land wat meer ademruimte te geven en dat is aardig gelukt. Maar – en zo kom ik opnieuw bij de overheidssubsidie – bedrijven en aanverwanten die willen investeren, doen dat het liefst bij een “winner” of een prestigieuze film waarmee ze naar buiten kunnen komen. Zelfs als ze weten dat ze financieel eigenlijk geen risico lopen. De toekenning van overheidssteun geldt dan bijna als een soort visitekaartje, een zekerheid dat ze zich associëren met een film die de moeite waard is. M.a.w., overheidssteun is haast essentieel en dat geldt ook voor al die andere mogelijkheden die ik heb opgesomd. Kom je met een subsidietoekenning aankloppen, dan gaan andere deuren “gemakkelijker” open, want dat betekent dat het eigen land er vertrouwen in heeft. Verminder je het overheidsgeld, dan krijg je ook automatisch minder films. Zo simpel is dat.

Besluit

Sommigen vinden nog altijd dat het allemaal weggegooid overheidsgeld is, want besteed aan een commercieel product. Maar een Vlaamse film is ook een cultureel gegeven dat verschillende doelen invult. Bijvoorbeeld, een plaats veroveren in het overaanbod aan Amerikaanse films. Het publiek is daar niet ongevoelig voor, waarvan toeschouwersaantallen in de bioscoop en kijkcijfers van latere vertoningen op tv het bewijs zijn. Of nog, Vlaamse films geven een boost aan ons imago in het buitenland.

Laat ons eerlijk zijn, wat de overheid besteedt aan filmhulp is peanuts als je het totale cultuurbudget bekijkt. Bovendien is de filmsector één van de meest arbeidsintensieve, wat arbeidsplaatsen en belastingen oplevert. En het is zeker peanuts in vergelijking met wat de notionele intrestaftrek ons kost, of wat de schuldigen van fiscale fraude betalen in verhouding tot wat ze stelen. Maar toevallig zijn dat federale bevoegdheden.

K.T.