Migratie is een evident gegeven, maar ook aan die evidentie zijn er grenzen. Wie daar ernstig wil over debatteren, beschikt best over accurate statistische informatie. Weten is meten. Gegevens zijn te vinden in de recentste federale bevolkingstelling (1/1/2011) en in een schitterende studie van de Vlaamse overheid (Internationale migraties en migranten in Vlaanderen, SVR-Studie 2014/1), met cijfers tot 2013.

Op 1 januari 2011 waren er in België 11 miljoen “inwoners”, waarvan 9,83 miljoen Belgen en 1,15 miljoen ‘buitenlanders’ of niet-Belgen (10,5 procent van de Belgische bevolking). Naar schatting verblijven er in België daarnaast nog een goeie 100.000 illegalen. Het percentage buitenlanders schommelt van 32 procent in het Brussels Gewest (365.000) tot 10,9 procent in Wallonië (348.206) (10,9 procent) en 7,4 procent in Vlaanderen (438.181). De verschillen per provincie zijn groot. In de Waalse provincies schommelt dat cijfer van 5 procent in Luxemburg tot 11,5 procent in Henegouwen. In de Vlaamse provincies schommelt dat cijfer van 3 procent in West-Vlaanderen tot 9 procent in Antwerpen en Limburg. De SVR hanteert – voor Vlaanderen – een ruime definitie: in het Vlaams Gewest alleen al verbleven er op 1 januari 2013 1.112.000 ‘personen van vreemde herkomst’ (17,4 procent van de Vlaamse bevolking). Dat cijfer omvat naast 467.000 ‘buitenlanders’ ook 367.000 ‘nieuwe Belgen’ (nationaliteit verworven) en 279.000 Belgen waarvan vader of moeder niet-Belg was bij de geboorte. Een kwart van die 1,1 miljoen personen van vreemde herkomst komt uit Turkije of de Maghreb, vooral uit Marokko. De jongste vijftien jaar wamen er in Vlaanderen jaarlijks zo’n 20.000 nieuwkomers bij via het migratiesaldo. Een continue stijging tot het piekjaar 2010, waarna de jaarlijkse toename weer wat kleiner werd.

Heterogeen

De sociaaleconomische betekenis van internationale immigratie inschatten is allesbehalve evident, onder meer omdat de groep nieuwkomers zeer heterogeen is. Statistisch wordt een onderscheid gemaakt tussen “buurlanders”, andere Europeanen (EU-15, niet-EU’ers), niet- Europeanen, Maghrebijnen… Dit geeft ons inzicht in het sociaaleconomische profiel van de migrant. De niet-actieve (volg)migrant versus de arbeidsmigrant, bijvoorbeeld. De komst van de goedopgeleide Nederlandse buur heeft een andere betekenis dat die van de een groep Azeri of van een Syrische islamiet… Migratie uit landen die niet alleen geografisch, maar ook sociaal-cultureel veraf liggen, draagt nu eenmaal een zwaar kostenplaatje. Voorstanders van de multiculturele samenleving hoor je dat zelden zeggen of toegeven, maar aan migratie zijn kosten en dus ook maar beter grenzen. Dat bewijzen kurkdroge cijfers over de veel grotere nood aan bijstand, van leefloon tot werkloosheidsvergoeding. Dat bewijzen cijfers over de evident veel grotere kosten van het wegwerken van de schoolse achterstand, tot het zorgen voor een degelijke opleidingsgraad. Dat bewijzen de toenemende uitgaven voor geboortepremies, kinderopvang, de tussenkomst in de woonkosten en de gezondheidshulp en de zorg.

Werk

Alleen voor de werkzaamheid/werkloosheid gaan we even in detail. Vanaf welke instroom wordt de komst van nieuwkomers zonder scholing of werk “problematisch”? Twee vaststellingen. Eén: er is weinig onderzoek naar gedaan. Twee: het politieke debat daarover is onbestaande. Het wordt doodgeknepen in sloganeske taal.

In het Vlaams Gewest schommelde van 2005 tot 2012 de werkzaamheid van de Vlamingen rond 75 procent, die van Zuid-Europeanen en Oost-Europeanen rond 60 procent, die van personen met vreemde herkomst (vreemdelingen en migranten) rond 50 procent, die van Maghreb-migranten tussen 46 en 48 procent, die van Europese niet-EU-landen zelfs maar 42,9 procent. Vooral bij vrouwen zijn de verschillen in de werkzaamheidsgraad enorm groot, varierend van 71,4 procent bij de autochtone Vlamingen tot amper 36,3 procent bij de Maghrebvrouwen.

De werkloosheidsgraad (procent uitkeringsgerechtigde werkzoekenden) is het spiegelbeeld van de werkzaamheidsgraad. Die is “wel vier keer hoger” bij personen met een Maghrebijnse herkomst dan bij de autochtone Vlamingen/Belgen. De werkloosheidsgraad van de Belgen situeert zich onder 4 procent, die van de Oost-Europeanen tussen 5 en 6 procent, die van de buurlanders tussen 6 en 8 procent, die van de Zuid-Europeanen tussen 8 en 10 procent, die van de niet-Europeanen tussen 12 en 15 procent, die van de Maghrebijnen tussen 18 en 21 procent. Het percentage huishoudens met een zeer lage werkintensiteit vertoont dezelfde verhoudingen. Cijfers liegen niet.

Transfers

Dit keer gaan we niet de communautaire toer op. Het is genoegzaam bekend dat de werklozen vergoed worden via de pot van de sociale zekerheid, dus door de werkenden. Het is genoegzaam bekend hoe solidair de Vlamingen al zijn met de Walen, waar de werkloosheidsgraad bijna dubbel zo hoog ligt, en met Brussel, waar die driedubbel zo hoog is. Dit verschil zorgt voor het belangrijkste transferkanaal binnen België. Precies zoals de hoge interregionale transfers wordt ook de internationale migratiekost door progressief Vlaanderen doodgezwegen. Erger zelfs, de Vlaming wordt geviseerd en te kijk gesteld als egoïst en verantwoordelijk geacht voor de zogenaamde “kansarmoede”, of elke vorm van “achterstand”, van tienduizenden nieuwkomers vanaf dag één na hun aankomst.

De wettelijke verblijfreden van de migranten is op dat vlak verhelderend. De officiële migratiestop die hier sinds 1974 bestaat, is een zeef. 60 procent van de nieuwkomers komt Vlaanderen binnen via de sluis ‘gezinshereniging’, 10 procent via ‘asiel’ en 7 procent via ‘regularisatie’, nog eens 10 procent als ‘student’. Hoe verantwoord is het dan euforisch te zijn over ‘verjonging en verkleuring’ van onze steden, of over de ‘superdiversiteit’ met honderdvijftig nationaliteiten? Een debat hierover bestaat gewoon niet. De media scharen zich meteen achter de kansarmoedelobby, de voorhoede van de “sociale industrie”. Protagonisten daarvan verkopen zichzelf als grote sociale lieverds, maar maskeren de keerzijde van de medaille en hijgen dagelijks verontwaardigd over de verarming van onze Vlaamse samenleving. Ze dweilen met de kraan open. Merk op dat ook in sommige ondernemerskringen dit debat niet zindelijk wordt gevoerd. Nieuwkomers worden door ondernemers niet zelden gezien als koopwaar, als goedkope arbeidskrachten (productiemiddelen, zou Karl Marx schrijven). Goedkope arbeidskrachten, sociale dumping, het is vaak volop “eigen portemonneetje” eerst.

En nu?

Asiel en migratie zijn federale bevoegdheden. De financiële en maatschappelijke gevolgen van de hypermigratie worden in dit land voor een buitenproportioneel deel gedragen door de Vlamingen. Theo Francken mag dan van Bart de Wever het commando hebben gekregen even onder de lat door te gaan en zich te verontschuldigen voor zijn uitspraken over de draaideurmigratie en de economische waarde van bepaalde migrantengroepen, hij kan voor een realistischer aanpak van de problematiek zorgen. De problemen zijn er om benoemd te worden. Of het om Oost-Europeanen, Maghrebijnen of Congolezen gaat, doet weinig ter zake. Veel gelukszoekers treft geen schuld. Het probleem zit hem niet in de individuele migrant, wel in de aantallen. De oplossing is een billijke aanpak. Niet in haat tegenover de vreemde, evenmin in een blinde multiculturaliteit.

De Vlaming hoeft geen verwijten te pikken. Zoals de particulier zich vaak solidair toont en de portemonnee opent voor het goede doel – maar dat ook “met mate” doet, of kent u veel socialen die meer dan 1 procent van hun bezit afstaan? – zo kan ook de Vlaamse samenleving zich solidair tonen, evenwel zonder zich altruistisch te pletter te gooien in het vroeg of laat overkokende potje van de hypermigratie. Het volstaat om met een menselijke kijk op de zaak een beleid uit te stippelen dat rationeel aantoont dat we met het “open” Vlaanderen zo’n beetje een grens hebben overschreden. Een versnelling lager schakelen is een terechte, sociale en democratische optie.