Het Amerikaanse dilemma

Twee Amerikaanse belangen botsen. Aan de ene kant is er de bedreiging van IS die onverminderd blijft bestaan. Anderzijds zijn er landen als Iran en Rusland die Washington als hun belangrijkste strategische concurrent ziet. Men kan geen vis en vlees tegelijk hebben, leert ons de Bijbelse wijsheid. Van welk belang maken de VS een prioriteit?

Er speelt zich op de internationale oliemarkten iets vreemds af. Olieproducerende landen als Libië, Irak, Nigeria en Syrië kennen een chaotische politieke situatie, en dan drukken we ons voorzichtig uit. Daarnaast gaat Iran gebukt onder sancties, wat een weerslag heeft op zijn vermogen olie te boren en te bewerken. Enkele jaren geleden had dat ruimschoots volstaan om de olieprijs de hoogte in te drijven, maar vandaag gebeurt net het omgekeerde. Aan 86 dollar zit hij nu, erg laag, en volgens experts is de daling nog niet afgelopen. Verschillende factoren werken dat in de hand. Een economische teruggang in Europa en China, en het feit dat de VS één van de belangrijkste olieproducenten aan het worden zijn. Doorgaans wordt dergelijke trend gecorrigeerd door de oliekraan wat toe te draaien, waarna het spel van vraag en aanbod in werking treedt. Dat dit net niet gebeurt, maakt de situatie bizar. Hier schuilt meer achter, menen analisten. Het is een stelling die niet door fantasten uitgedragen wordt, maar steun geniet van de toonaangevende krant Financial Times: door de prijs laag te houden, trachten de Amerikanen (en hun Saudische bondgenoten) schade te betrokkenen aan zowel Iran als Rusland, die erg afhankelijk zijn van de uitvoer van het zwarte goud voor hun economie. Een lagere prijs, betekent minder inkomsten. Ergens klinkt dat bekend in de oren. Zou het dan toch kloppen dat de geschiedenis zich (deels) herhaalt? Laten we even in de tijd terugkeren. In 1985 verhoogde Saudi-Arabië de olieproductie van 2 naar 10 miljoen vaten per dag. Dat zorgde voor een spectaculaire prijsdaling, van 32 naar 10 dollar. Op zeker ogenblik gingen de Sovjets zelfs aan 6 dollar per barrel verkopen. De getrukeerde marktprijs zorgde voor de instorting van de Sovjeteconomie. Niet westerse bommen brachten het Sovjetregime ten val, wel die ‘pompenoorlog’. De gevolgen van wat vandaag gebeurt, zullen minder groot zijn. Daar is zowat iedereen het over eens. Maar dat de olie-exporterende landen, Rusland op kop, strategische schade lijden, staat buiten kijf.

Duivelspact

En dan is er de oorlog gericht tegen de griezels van IS. Enkele dagen geleden legde Le Figaro de vinger op de wonde: “De gevechten in Kobane illustreerden perfect wat hier niet werkt. Een coalitie die naam niet waardig, weinig overtuigde Arabische en Europese leden die voor amper 10 procent van de bommen tekenen en een ambigu Turkije dat Assad een grotere bedreiging vindt dan IS.” Hoeft het nog gezegd dat er dringend nood is aan een “strategie”? Maar het venijn zit hem in de staart: “Het is duidelijk dat zij die met deze oorlog begonnen zijn het vechten niet kunnen delegeren. Gebieden die door terroristen ingepalmd zijn, zullen terug veroverd moeten worden.” Daar staan we dan. Dat veroveren kan niet vanuit de lucht, maar grondtroepen inzetten is geen optie, speciale eenheden buiten beschouwing gelaten. Experts weten (en zeggen) dat er slechts één manier is om de patstelling te doorbreken en de strijd met IS succesvol aan te gaan: de handen in mekaar slaan met Assad en met diens belangrijkste steun, Iran. Men kan hopen dat het trainen van medestanders ter plekke – Koerden, Irakezen, noem maar op – vruchten afwerpt. Echter, dat kan alleen op middellange termijn. Oplossingen moeten er nochtans snel komen. De president van de VS moet over veel moed en leiderschap beschikken om een pact met de duivel (lees: Iran) te sluiten, ook al is dat pour les besoins de la cause. Twee vaardigheden die bij Obama niet overvloedig aanwezig zijn. Wat men ook in Teheran beseft, al was het maar omdat er in geen enkel land buiten de VS meer ministers zetelen die aan een Amerikaanse topuniversiteit zijn afgestudeerd.

Kissinger

Dat brengt ons bij het strategische dilemma van de VS. Enkele weken geleden sprak Henry Kissinger zich uit over de problematiek. Iran is een grotere bedreiging voor de veiligheid van Washington dan IS, benadrukte hij. Het gevaar van IS is “beter beheersbaar” dan wat Teheran uitspookt. “IS een groep avonturiers met een erg agressieve ideologie”, legde hij uit, “maar alvorens ze een echte bedreiging zullen worden, moeten ze beduidend meer terrein dan vandaag veroveren.” Iran is een ander paar mouwen, meent hij. Zij willen het Perzische Rijk in ere herstellen, dit keer onder sjiitische vlag. Hetgeen zich de voorbije jaren afgespeeld heeft, bewijst dat Kissingers standpunt steek houdt, en hij staat niet alleen. Ondanks tegenkantingen nam de Iraanse invloed in het Midden-Oosten toe. Overigens met dank aan de Amerikanen, die de soennitische ‘omsingeling’ door Afghanistan en Irak behoorlijk afgezwakt hebben.

Laat Washington de langere termijn op de korte primeren? Neemt men de strijd tegen IS serieus, met het risico dat men rivalen van vandaag en vooral morgen versterkt? De nieuwe ‘pompenoorlog’ die woedt, lijkt alvast te bevestigen dat de lange termijn primeert. Denk daaraan, wanneer nog maar eens gruwelbeelden over het terreurbewind van IS de ronde doen.

m.