Neckers

1954

Zeger werd zojuist tien jaar. Hij is verstandig en weet zelfs wie Zeger Loncke was. In Vlaanderen kennen alleen de lezers van ’t Pallieterke die naam nog. Er is een gelijkenis tussen hem en mij toen ik in 1954 zelf tien jaar oud werd. Tijdens het gamen kijkt hij soms naar mij zoals ik indertijd naar mijn analfabete grootmoeder keek.

Wat zullen de mensen zeggen?

“Ik had een onbezorgde jeugd, want we ravotten van ’s morgens tot ’s avonds in de bossen.” Dat cliché hoor je veel in interviews die het contrast met de huidige opgejaagde maatschappij illustreren, maar zo’n herinneringen bezit ik niet. Veel van mijn generatiegenoten en kennissen kijken ook niet echt met heimwee naar hun jeugd terug. We zagen zelden elkaars oren van de kop over onze materiële omstandigheden. We wisten niet beter of de meeste stadsmensen woonden in een kleine woning, waar in een keuken van drie op vier meter alles gebeurde: koken, wassen, verschonen, studeren, enzovoort. Het zijn vooral de immateriële dingen die ons soms nog dwarszitten. Het was een gedisciplineerde en zelfs vrij harde wereld waar de schone schijn belangrijk was; ook in een arbeidersbuurt. Als kind moest je altijd op je hoede zijn voor volwassenen. “Doe dat niet! Blijf daar af! Zit stil!” Constant regende het vermaningen. Voortdurend kreeg je de absolute norm voor goed gedrag ingeprent: “Wat zullen de mensen zeggen?” De mening van “de mensen” was meestal belangrijker dan wat je misschien fout had gedaan. Ik vergelijk het met de ellende waaronder nogal wat Marokkaanse meisjes nu gebukt gaan. Wat je zelf doet of niet doet, is minder belangrijk dan de roddel die men over jou vertelt. Juist zoals bij Marokkanen vandaag konden buren over je komen klagen en dan zwaaide er wat, want die buren zouden je slechte gedrag ongetwijfeld aan “de mensen” voortvertellen. Tweehonderd keer “Tucht en discipline, synoniem van zelfrespect” schrijven was één van mijn mildere straffen. Kortom, wat er toen teveel was, is er nu – misschien als reactie? – veel te weinig.

Ieder kind was niet uniek

In de school heerste dezelfde mentaliteit. Meester Albert de Cleyn van het vierde studiejaar was een harde en afstandelijke man die vanaf het eerste tot het laatste uur van het jaar les gaf. Een schooljaar met poplawaai beginnen, was er niet bij. Radiojournalist Herman Hendrickx, die twee jaar vroeger bij meester De Cleyn zat, herinnert zich nog goed hoe diens volle en zware hand geregeld een verhitte kop van een leerling afkoelde. Ik was in mijn jaar erg braaf, want ik was een grote fan van onze onderwijzer die in zijn vrije tijd de spits (center-voor zeiden we toen) van KV Mechelen was. Vandaag is Bert de Cleyn nog altijd de recordhouder van het meeste aantal doelpunten in de hoogste afdeling. Kinderen moesten nog opgevoed worden en ze werden niet als breekbare, gevoelige wezentjes beschouwd die trauma’s opliepen als men hen niet ophemelde (denk aan de stompzinnige slogan van het huidige gemeenschapsonderwijs, “ieder kind is uniek”). Ik was de eerste van de klas met 90 procent en na mij kwamen nog tien jongens met 80 procent en 70 procent. Twintig kinderen werden met 60 procent, 50 procent of zelfs minder geklasseerd. Die uitslag werd luidop voorgelezen tijdens de prijsuitdeling, in een feestzaal die stampvol met ouders zat en waar we één voor één het podium opmoesten. De fanfare van de weesjongens speelde voor iedere eerste een verkorte versie van de Brabançonne. Iedereen kreeg een palmares mee naar huis, zodat de hele stad kon lezen wie de slimmeriken en wie de dommeriken waren. Niemand heeft er een psychische storing aan overgehouden. Schoolreizen waren er al maar pretparken niet. De reis van 1954 ging naar de graven van Maria van Bourgondië en Karel de Stoute in Brugge; een logisch vervolg op de reizen naar de Zimmertoren, Ambiorix en Waterloo van vorige jaren. Eén keer was er een filmdag met den dikke en den dunne, aangeboden door La Vache Qui Rit. Ik heb er nog een doosje van die kaasjes gewonnen. Ik zat zoals de meeste arbeiderskinderen in de stad in het rijksonderwijs wegens gratis, maar slechts een paar van de dertig kinderen van de klas volgden “zedenleer”. In het najaar moest dus iedereen twee keer per week een halfuur catechismus volgen, tussen 7.30 en 8 uur, in één van die ijskoude kapellen in de gotische Onze-Lieve-Vrouwekerk, en dat twee jaar lang. Anders geen plechtige communie en geen eerste horloge.

De hamvraag

1954 was ook het jaar van de televisie. In de stad waren winkels nog dikwijls tot 22 uur geopend en voor de vitrines van de radio- en voortaan televisiezaken stond altijd een groep mensen naar dat wonder te gapen. Behalve ’s maandags, want dan was er geen uitzending. Zelden zoveel volk voor een raam gezien als bij de voetbalwedstrijd België-Engeland, die eindigde op een gelijkspel, 4-4, tijdens het wereldkampioenschap in Zwitserland (waar tot chagrijn van velen West-Duitsland onverwachts de finale tegen het Hongaarse wonderteam met 3-2 won). Het was de eerste wedstrijd van de Rode Duivels die op het scherm kwam en het zou nog eeuwen duren vooraleer er een tweede kwam. We hadden het thuis niet breed, maar mijn vader dronk en rookte niet. Hij spaarde als gek het “drinkgeld” dat hij als pakjeschauffeur van de NMBS kreeg. Eind dat jaar hadden we als eerste in onze straat het mirakel thuis: 13.500 frank (tweeëneenhalf maal een maandsalaris van een arbeider) voor een schermpje van 43 cm met afgeronde hoeken. We gingen dus minder naar de bioscoop, al herinner ik me uit dat jaar nog “De Mantel” (films kregen altijd een Nederlandse titel) en natuurlijk “Melba”, een biografie van de grote Australische operadiva die alle mensen nog kenden. Nu is ze nog enkel een nagerecht.

Ontspanning betekende voor kinderen en volwassenen vooral radio en lezen. Een gewone radio was te duur, dus hadden we zoals de meeste mensen een lokale kabelradio met zes zenders. Iedere vrijdag luisterden we naar radio Limburg met de onvolprezen stem van Pol Cabus en de reportages van de latere tv-directeur Bert Leysen. Bij de twee Nederlandse zenders werd nog verstaanbaar Nederlands gesproken en “Mastklimmen” van de NCRV was ons favoriete programma. Luisteraars in de studio namen deel aan een quiz en klommen na een goed antwoord iedere keer wat hoger in een in de studio geplaatste mast. De hoofdprijs was een… gerookte ham en sinds die tijd is de hamvraag een begrip in het Nederlands geworden. En dan was er nog de lectuur. Ik was lid van de Jeugdbibliotheek, waar ik twee boeken per week mocht uitlenen. Veel te weinig, maar er was ook de schoolbibliotheek en ik las zelfs alle programmabladzijden van de “Radio en Televisieweek” want het NIR (nu de VRT) had een eigen programmablad. Die hoeveelheid letters volstond niet, dus las ik vol enthousiasme bij mijn grootmoeder “Voor allen – Weekblad van de Belgische Socialistische Partij”. Daar stond iedere week een boeiende strip in: “Lowie Tegenslag en de mutualiteit” die de socialisten het raderwerk aanleerde van de sociale zekerheid. 1954 was ook een verkiezingsjaar en voortdurend werd er in die “Voor allen” gerefereerd naar de dolk die de CVP in de rug van Leopold III had gepland. Ik heb een hele tijd gedacht dat de socialisten de verdedigers van de koning waren. Op school kreeg ik een briljant antwoord toen ik naar de finesses van de Koningskwestie informeerde: “Daar heeft je vader zijn gedacht over en ik het mijne.”

Maar er kwamen andere tijden. Datzelfde jaar gingen we voor de eerste keer acht dagen met vakantie naar het pension “Vakantiegenot” van het ACV in Rendeux-Haut (nu genieten asielzoekers van de gastvrijheid); de eerste keer dat men ons een maaltijd opdiende, want restaurants kenden we niet. Hoewel de bezoekers bijna allemaal Vlamingen waren, dachten de paar Waalse werknemers er niet aan één woord Nederlands te leren. Ik ben zeker dat de kinderen uit 1854 honderd jaar later – buiten wat moderner comfort – de eigen maatschappij zouden herkend hebben, terwijl Zeger volledig verdwaasd en gedesoriënteerd zou rondlopen in 1954.

Jan Neckers


Tags assigned to this article:
2015-01Jan Neckers

Related Articles

Schotse nationalisten ongenaakbaar

Door alle tumult rond het Britse referendum – en de Nederlandse prelude met het Oekraïneverdrag – zou een mens bijna

Dwars door Vlaanderen

Hoofddoek in de Limburgse provincieraad Vlaams Belang-fractieleider Wim de Meester stelde voor om in de provincieraad een hoofddoekverbod in te