Leven met een gehandicapte

The Theory of Everything

Na “The Imitation Game”, verleden week, krijgen we met “The Theory of Everything” opnieuw een biografie over alweer een merkwaardige Brit. Deze film gaat over de natuurkundige/kosmoloog/wiskundige Stephen Hawking, wereldberoemd door zijn theorieën over het heelal en het vulgariserende boek “A Brief History of Time” dat hij daarover schreef – een regelrechte bestseller –, maar misschien meer nog door het feit dat op jonge leeftijd bij hem ALS (amyotrofe laterale sclerose) werd vastgesteld, een ongeneeslijke zenuwaandoening met verlamming tot gevolg, waardoor hij al jaren niet meer kan bewegen en aanvankelijk alleen met ingewijden kon communiceren maar later gelukkig ook via een spraakcomputer.
“The Theory of Everything” overspant zo’n vijfentwintig jaar uit het leven van Hawking (Eddie Redmayne) en begint wanneer Hawking, een briljante student aan de universiteit van Cambridge, verliefd wordt op Jane (Felicity Jones). Haast tegelijk verneemt hij dat hij ongeneeslijk ziek is en waarschijnlijk nog twee jaar te leven heeft. Desondanks trouwen ze en ze hebben ook drie kinderen.
De film is gebaseerd op het boek dat Jane schreef over haar leven met Stephen (ze scheidden in 1991). Net als in “The Imitation Game” word je niet veel wijzer over wat Hawking allemaal uit zijn brein weet te persen (begin er maar aan dat filmisch interessant te maken). Regisseur James Marsh concentreert zich vooral op hun niet-simpele huwelijksleven. Precies dat maakt de film boeiend. Het gaat over twee sterke karakters. Hij verzet zich met al zijn verstandelijke vermogens tegen zijn fysieke aftakeling en zij doet al het mogelijke om zichzelf te blijven en tegelijk te zorgen voor haar geliefde. Een gemakkelijk leven is het allerminst.
Het is voor beiden een bijna heroïsche strijd, die dankzij de vertolkingen van Redmayne en Jones de juiste dramatische en menselijke toon krijgt. Soms durf je al eens achteloos voorbijgaan aan al het werk dat een acteur in zijn personage steekt, maar hier kun je er echt niet naast kijken. Niet alleen is zijn fysieke gelijkenis met Hawking griezelig echt, je kunt alleen maar bewondering hebben voor de wijze waarop Redmayne met een minimum aan expressiemiddelen een emotionele wereld creëert. Dat Jones als Jane een indrukwekkende persoonlijkheid neerzet, bewijst haar groot talent.

K.T.


Hij en zij

The Disappearance of Eleanor Rigby

Je moet er de nodige tijd voor uittrekken, maar het loont de moeite. De reden is dat achter bovenvermelde titel twee films schuilgaan: een versie “Him” en een versie “Her”. Die geven een verschillende versie van dezelfde feiten, maar meer nog de verschillende gevolgen. Tezamen goed voor meer dan drie uur boeiende cinema.
Het begint met de relatie van Conor (James McAvoy) en Eleanor (Jessica Chastain). Ze trouwen en krijgen een baby, maar als de baby na zes maanden sterft, begint het mis te lopen. Na een mislukte zelfmoordpoging verdwijnt Eleanor plots uit het leven van Conor.

In “Him” maken we zijn niet-begrijpen, zijn ontreddering mee. In “Her” zien we hoe Eleanor probeert een nieuw leven te beginnen, ver van haar echtgenoot. Intussen herinneren ze zich wat voorbij is, vanuit hun perceptie. Die dubbele subjectieve aanpak is niet nieuw, maar meestal wordt die dan gebruikt voor het opvoeren van de spanning, of gewoon als een handig filmisch spelletje. Niet zo bij regisseur Ned Benson. Hij toont veeleer hoe twee mensen, die mekaar graag zien, verschillend kunnen reageren op de pijn en het verdriet over wat ze meemaakten.

Je krijgt door de combinatie van die twee films een beter inzicht in de gevoelens van beiden dan zijzelf. Zoals zo dikwijls in het echte leven slagen ze er niet in aan elkaar duidelijk te maken wat ze voelen en denken. Als toeschouwer daarentegen kun je door het dubbelportret doordringen tot hun diepere gevoelens en krijgen de levens van deze twee mensen een tragische dimensie.

K.T.


Ode aan Chaplin?

La rançon de la gloire

Het klinkt als een macabere studentengrap, maar twee onnozelaars besloten in 1977 de lijkkist van de pas overleden Charlie Chaplin op te graven om van de familie een losgeld te eisen. Dat is het gegeven van “La rançon de la gloire” van Xavier Beauvois.

Beauvois maakte er gelukkig meer van dan een studentengrap, maar dit is bezwaarlijk een memorabele film te noemen. Onderhoudend, dat wel, met een uitstekende Benoît Poelvoorde in de rol van één van de “misdadigers”. De film is een curieuze mix van humor en realisme, een farce en tragikomedie over twee sukkelaars, die naar het einde toe ook nog evolueert naar een hommage aan de sociale dimensie in Chaplins films. Maar “La rançon de la gloire” hangt te veel met haken en ogen aan mekaar om dat alles echt te doen werken.

K.T.