De verkiezingen van 1965 (2)

Bij de verkiezingen van 1965 springt de Volksunie van 5 naar 12 zetels. Consternatie bij de Vlaamse vleugel van de nog unitaire CVP-PSC. Maar het grote nieuws is de fenomenale winst van de liberale PVV: van 20 naar 48 zetels.

Keiharde belgicistische reflex

Eerste minister Lefèvre en zijn CVP’ers waren er het hart van in. Hij had de communautaire duivel in een doosje gestopt. Dacht hij toch. Tijdens de eerste mars op Brussel (22 oktober 1961) stapten 51 CVP-parlementairen mee. Voluntaristisch bakende de regering-Lefèvre de taalgrens af (ze had de talentelling al eerder afgeschaft); zij het wel volgens de oude Belgische spelregels. Meer Vlaamse mensen en grondgebied naar Wallonië dan omgekeerd en dan nog een flink deel van Wallonië hysterisch, omdat de Nederlandstalige Voerense gemeenten naar Limburg verhuisden. Maar de beslissing om het land in taalgebieden te verdelen, betekende ook de dood voor het Franstalig onderwijs in Vlaanderen, want diploma’s in een andere taal dan het Nederlands werden niet meer erkend. Tijdens de tweede mars op Brussel (14 oktober 1962) stapten daarom nog maar drie CVP’ers mee en dus werd zeven dagen later het regeringsvoorstel goedgekeurd. Zoveel jaar later kijkt de waarnemer nog altijd verbaasd naar de keiharde en gewelddadige belgicistische reflex van die dagen. Datzelfde jaar werd de Nederlandse flamingant Paardekoper gewoon uitgewezen omdat hij in Nederland stelde dat er geen Belgen zijn. In de Antwerpse Heilige Geestkerk werd nog altijd de mis in het Frans opgedragen voor de franskiljons. Vlaamse bewegers (vooral VU’ers) zongen Onze-Lieve-Vrouw-van-Vlaanderen en werden door overvalwagens opgewacht. Een paar zangers gingen “wegens verstoring van de eredienst” voor zes weken achter de tralies, want de magistratuur bestond ook uit franskiljons (een nog altijd niet helemaal uitgeroeide kanker). De Vlaamse betogers betaalden braaf hun strafrechtelijke boetes.

Braaf, braver, braafst

Een jaar later drukte de regering van christendemocraten en socialisten een nieuwe taalwetgeving voor Brussel door. Aanvankelijk werden zes gemeenten bij de agglomeratie gevoegd, maar de CVP’ers voelden toch al het gehijg van de VU in de nek. De gemeenten bleven zogenaamd bij Vlaanderen als faciliteitengemeenten, waar geregeld gelachen werd met de taalwetgeving. De CVP keurde het goed ‘met de dood in het hart’ maar wees ook naar de theoretische compensaties in het Brusselse, met o.a. een grotere Vlaamse aanwezigheid in de gemeentelijke administraties. In de praktijk werd daar nog harder mee gelachen, want Franstaligen waren en zijn meesters in de succesvolle sabotage van democratisch goedgekeurde maatregelen in het voordeel van Vlamingen. Zelfs die onnozele zoethoudertjes waren er voor Gentse franskiljons teveel aan. Een ‘Comité d’Action Nationale’ bereidde, na vroegere acties, nieuwe bommen voor om een VU-betoging te treffen, maar de onhandige terroristen bliezen zichzelf op en werden zwaar geblesseerd gegrepen. Die taalwetgeving van de regering werd indertijd door de Vlaamse beweging zowat beschouwd als een herhaling van München 1938. Maar het kon nog veel erger geweest zijn, in een regering met de liberalen van de Diestse franskiljon Vanaudenhoven. Onder druk van de Franstalige partijgenoten kwam die met een origineel programma: terug Franstalige scholen in Vlaanderen, de zes faciliteitengemeenten bij Brussel en faciliteiten voor Franstaligen in zo ongeveer de helft van de huidige provincie Vlaams-Brabant. De zogenaamde liberale flaminganten (Grootjans, Van der Poorten) knikten deemoedig. Er zat nog een adder onder het gras. De Belgische traditie vereist dat Walen wegens hun raciale superioriteit meer parlementszetels krijgen dan waar ze volgens hun bevolkingsaantal recht op hebben. 500.000 Vlamingen waren in 1965 niet in het parlement vertegenwoordigd. Volgens de wetgeving moest er automatisch een zetelaanpassing gebeuren bij de verkiezingen, maar dit zijn geen Belgische mores. De Vlaamse vertegenwoordigers bogen weer diep in het stof om hun recht te krijgen en aanvaardden de prietpraat dat Walen niet mochten geminoriseerd worden. Dat was de aanvang van de ellende met alarmprocedures en grendelwetten die een paar jaar later definitief de Vlaamse meerderheid muilbandden, tot vandaag, want ook de N-VA zweert bij die Belgische wettelijkheid. Natuurlijk werd in Vlaanderen veel en luid geprotesteerd in combinatie met weinig harde actie, want de Vlamingen waren indertijd zo braaf, en zijn dat nog altijd.

Nationale ramp van België

Dat werd in 1965 door de verkiezingsuitslag bevestigd. Een harde Franstalige liberale partij met wat Vlaamse collabo’s slaagde erin een triomf te boeken na een al jaren gestimuleerd wrokkig sentiment tegen de “belastingsregering”. Dat was zo mogelijk een nog grotere schok voor de uittredende regering. Economisch had ze toch schijnbaar successen geboekt, al was dat haar verdienste niet. De multinationals hadden Vlaanderen ontdekt en ze lieten Wallonië, dat zich in marxistische prietpraat hulde, letterlijk links liggen. Tussen 1961 en 1965 daalde het aantal werklozen in Wallonië met 2.000, van 20.000 naar 18.000. In Vlaanderen daalde het aantal van 50.000 naar 30.000. Hallucinant lage cijfers natuurlijk met de bril van vandaag, maar werklozen waren toen bijna altijd enige kostwinner en de vrouwen waren nog niet massaal op de arbeidsmarkt verschenen. De liberale campagne van 1965 is bij reclamemakers nog altijd een referentie. De liberalen introduceerden het later zoveel gebruikte begrip “Honoré Gepluimd” bij de groeiende middenklasse. Hun grootste stunt was de lancering van een biljet van 1.000 frank dat een griezelige gelijkenis toonde met een echt biljet. Alleen was de kop van Mercator op het officiële biljet vervangen door die van Lefèvre. De teksten lieten niets aan de verbeelding over. “Nationale Ramp van België”. “Betaalbaar aan Theo”. De afmetingen, de kleuren en het lettertype waren zo gelijkend dat je in de volgende maanden geregeld in de kranten kon lezen dat sommige handelaars, in de toenmalige tijden van contante betaling, een Theootje hadden aanvaard en zich te laat realiseerden dat ze bedrogen waren. De liberalen zetten zich ook sterk af tegen de zwartzakken van de VU en ze slaagden erin nogal wat Vlamingen te overtuigen dat de eenheid van het land in gevaar was, dat hun kinderen geen “goed Frans” meer zouden leren zodat ze geen goede baantjes meer zouden kunnen krijgen. Op hun manier hadden ze nog gelijk ook, want een groot deel van de bedrijven in Vlaanderen gebruikte nog het Frans in de eigen administratie en boekhouding. Tijdens een kort en onderbetaald intermezzo in 1964 bij de Antwerpsche Hypotheekkas aan de Meir (intern altijd de “Caisse” genaamd), veroorzaakte ik hysterische reacties omdat ik het woord “récépissé” systematisch verving door ontvangstbewijs.

Eens de verkiezingen voorbij, begonnen de onderhandelingen. De christendemocraten wilden er de liberalen bij, want de twee oude regeringspartijen bezaten geen tweederdemeerderheid meer om de grondwet te herzien; noodzakelijk omwille van het lidmaatschap van NAVO en EEG (pas later werd de klemtoon op de communautaire problemen gelegd). De socialisten wilden de PVV echter niet aan boord nemen. Geregeld worden we in de zwaar gesubsidieerde regimemedia herinnerd aan de goede oude tijd, toen er nog staatsmannen waren als Lefèvre, Spaak, Eyskens, Harmel en Spinoy. In werkelijkheid waren die “staatsmannen” even grote enggeestige lapzwanzen als het zootje dat nu in de parlementen zetelt. Een verlies van 39 zetels (de CVP verloor 16 procent van haar kiezers, de socialisten 22 procent) was blijkbaar een te onbelangrijk “signaal van de kiezer”. Na 65 dagen vormden christendemocraten en socialisten ongegeneerd een nieuwe regering (Harmel-Spinoy), alsof er niets gebeurd was.

Jan Neckers