2015-04_13_Voorkaft AbichtDe moeilijke agenda van progressief Vlaanderen

De klasse en het vaderland: water en vuur? In zijn essay Patriottisme kent geen grenzen. Naar een nieuwe progressieve agenda voor Vlaanderen onderzoekt de ook in flamingante kringen gerespecteerde filosoof en publicist Ludo Abicht de kansen voor een vernieuwde linkse politiek in Vlaanderen. Geen makkelijke oefening.

Abicht is een minzame verdediger van vrijheid van meningsuiting en debat. Hij noemt het wantrouwen tussen culturele nationalisten en antifascisten heel schadelijk voor de beide “democratische en emancipatorische bewegingen”.

Zoals overal in Europa hechten ook hier mensen belang aan het behoud van eigen taal en cultuur, tradities en kunst, identiteit. Onder hen zijn er gematigden en radicalen, hervormingsgezinden en onafhankelijkheidsstrijders. De Vlaamse Beweging, in alle strekkingen aanwezig, streefde geweldloos naar culturele, en later ook naar politieke gelijkheid. Die sentimenten als autistisch bestempelen, is volgens Abicht “een bekrompen reactie”, al vindt hij het idee van totale onafhankelijkheid wel zwaar “belast” door de ontwikkelingen binnen Europa, door de economische globalisering en door politiek internationalisme. In veel gevallen gaat schaalvergroting immers niet gepaard met een toename aan democratische inspraak en controle.

Maar Abicht is ook een (milde) marxist, soms op het naïeve af. De klassenmaatschappij negeren, is zowel “verkeerd als gevaarlijk”. Dat geldt ook voor links, dat de aandacht liet verschuiven naar “niet centrale thema’s”, zoals de strijd tegen racisme en discriminatie, en de strijd voor vrouwenrechten en het milieu.

Het conservatieve karakter van Vlaanderen ontkennen of minimaliseren, zou onverstandig en ongeloofwaardig zijn, aldus de auteur. Maar binnen rechts moeten we een onderscheid maken tussen reactionaire, racistische en zelfs fascistische groepen enerzijds en traditionele conservatieven anderzijds. Hij zinspeelt duidelijk op het verschil tussen Vlaams Belang en N-VA. Erg veel zorg heeft hij aan de grenslijn tussen beide niet besteed. Valt “wantrouwen ten opzichte van medeburgers van vreemde oorsprong” meteen gelijk te schakelen met het “veralgemeend toeschrijven van bepaalde negatieve karaktertrekken aan groepen”?

Hoeveel

Abicht stelt vanuit de koppeling ‘links en Vlaams’ de vraag hoeveel zelfbestuur er vandaag “haalbaar en wenselijk” is. Is er plaats voor patriottisme in een open samenleving? Natuurlijk wel, als dit er één is in de sfeer van This land is your land. This land is my land (1940), een “ethisch mooi” lied van hoop op gelijkheid en rechtvaardigheid (van Woody Guthrie). Is er plaats voor maatschappelijke gelijkwaardigheid? Natuurlijk wel, als die niet leidt tot egalisering en uniformisering. “Honderd bloemen mogen bloeien.”

In de laatste hoofdstukken wordt Abichts optimisme (‘Wie is er bang van de multicultuur’) soms moeilijk om volgen. Valt de impact van de hedendaagse migratie naar West-Europa zomaar te vergelijken met de historische Europese emigratie naar Amerika? Is het multiculturele karakter van de maatschappij “stilaan als een feitelijkheid aanvaard”? Dat klinkt vooral voluntaristisch. Mag aan de “reële voordelen van diversiteit… een duidelijke aanwinst voor de Vlaamse gemeenschap” nog worden getwijfeld?

De “evidente verbondenheid van de emancipatiestrijd van Vlamingen en migranten niet zien is dom”, meent Abicht. Welnu, na 96 bladzijden zien we die verbondenheid niet meteen. Het is een strijd op twee fronten.

Abichts pleidooi voor solidariteit met en steun voor de nieuwkomers (opvoeding en bijscholing, gezondheidszorg, sociale woningen, jobtraining, taal- en gedragsregels) loopt bovendien wat achter de feiten aan. Dat verhaal wordt in Vlaanderen al behoorlijk ingevuld.

Zwijgen

Het mogelijke probleem van de immigratie – waarover Abicht helaas in alle talen zwijgt – zit niet in de migrant, wel in het massale karakter van de immigratie, in het kwantitatieve. Zoals de modale Vlaming graag mensen in nood helpt, maar ze niet “en masse” bij zich thuis te slapen legt, of hen een substantieel deel van zijn portemonnee geeft, zo reageert ook die modale Vlaming als de demografische migratieslinger overslaat. Er staat hier al bijzonder veel volk aan de voordeur. Een auteur die zich zorgen maakt over de “stijgende armoede, vooral onder de uit migratie stammende medeburgers” zou beter kunnen weten.

Dat Abicht andere opinies dan de zijne meteen als “bekrompen, narcistisch en hopeloos regressief” en “ethisch verwerpelijk” bestempelt, wringt met het principe van pluralisme dat hij zelf zegt te koesteren.

Zijn kernopdracht voor een authentieke progressieve Vlaamse beweging klinkt dan ook erg religieus, met Marx en Engels als lichtende heiligenbeelden naast zijn wandelpad. “De vrije ontplooiing van eenieder is de voorwaarde voor de ontplooiing van allen”, citeert Abicht uit hun Communistisch Manifest. Dat we ons moeten inzetten “voor een zo efficiënt en duurzaam mogelijke opvang van alle nieuwe landgenoten en medeburgers die in Vlaanderen willen komen werken…”, waarom niet? Maar voor “allen die willen komen”? Gelooft Abicht dat nu zelf?

Foutjes

Abichts publicaties en opiniestukken zijn doorgaans lezenswaardig, al dient vermeld dat dit essay met kortere paragrafen, alinea’s en zinnen voor velen vlotter leesbaar zou worden. In zinnen van honderd woorden loopt zelfs de geoefende lezer al eens verloren.

Anja Pieters


Ludo Abicht, Patriottisme kent geen grenzen. Naar een nieuwe progressieve agenda voor Vlaanderen, uitgeverij Pelckmans, 2014, 96 blz., 9,50 euro.
ISBN 9789028977051