Bozar Brussel

Lof der portretkunst

In de Brusselse Bozar schuwt men de superlatieven niet. Uitzonderlijkheid is doorgaans een sine qua non bij de opmaak van het programma. Met de onlangs geopende dubbeltentoonstelling “Faces then – Faces now” tapt men opnieuw uit het vat der uniciteit. Alles draait rond het portret, dat in principe zoveel meer wil zijn, en uiteindelijk ook is, dan een doordeweekse afbeelding van de persona. Het genre ontsproot aan de vernieuwingen van de renaissance (then) en leeft sindsdien verder, tot in onze moderne dagen (now). “Faces then” toont vijftig zeldzame portretten uit de zestiende eeuw gemaakt in de Lage Landen. Het is de grootste overzichtstentoonstelling over dit onderwerp sinds 1953. “Faces now” ontsluit een aantal levensechte beeltenissen van de tweeëndertig fotografen die de afgelopen kwarteeuw de Europese portretfotografie naar hun hand zetten.

In het eerste luik keren we terug naar de hernieuwde maatschappij van omstreeks 1500. De hermetische adellijke zeden uit de middeleeuwen werden stilaan verdrongen door een gereserveerd burgerdom dat dreef op ijver, materieel gewin en een ontluikend individualisme. Wie het zich kon permitteren, verzamelde bij wijze van status kunst en/of liet zich portretteren. Hoofse figuren hadden nog lang niet afgedaan bij de ambachtelijke portretschilders, maar geleidelijk verlegden de kunstenaars hun focus naar de kapitaalkrachtige markt van welstellende handelaars, gildeleden en bestuurders. De resultaten zijn stuk voor stuk meesterwerkjes, die tegen de achtergrond van een soms rijkelijke documentatie de psyche en de identiteit van de afgebeelde personen reconstrueren. De opvallendste namen zijn Quentin Metsys, Joos van Cleve, Floris de Vriendt en Anthonis Mor. Hun realistische benadering, typisch voor het portret in de Nederlanden, was ernstiger en geforceerder dan het geïdealiseerde Italiaanse portret. Die stijlfkloof tussen de cultuur van werkers en ijveraars, en die van praters en dromers, was reeds in de tijd van Van Eyck aanwezig, maar leidde in de zestiende eeuw tot een eclatante synthese. “Faces then” neemt vooral dat experiment tot hoofdthema.

Een intensere cultuurschok treedt op wanneer we een kleine vierhonderd jaar op onze tijdlijn opschuiven. We bevinden ons in het laatste kwart van de twintigste eeuw. De samenleving is een pak complexer geworden. Onze gelaagde identiteit verdraagt God noch grote verhalen meer en is losgeweekt van onomstotelijke structuren en zekerheden. De moderne portrettist probeert met de camera in de aanslag in die jungle zijn weg in te vinden. Tegenover de verkrampte ijdeltuiten uit de renaissance lijken de eigentijdse portretten meestal een stuk natuurlijker en dramatischer. Maar de dialoog tussen oud en nieuw is slechts een kwestie van uiterlijke voorstelling. Wat beide expo’s ons leren, is dat de essentie van een portret, ongeacht de ontstaansperiode, altijd onveranderd blijft. Dat beseft men bijvoorbeeld wanneer men van Stefan van Fleterens foto’s van de overleden Jan Hoet terugloopt naar De Vriendts “Portret van een oude vrouw”, en men opnieuw gegrepen wordt door die typische sereniteit die bij een waardig levenseinde hoort.

“Faces now” en “Faces then” zijn te bezoeken tot 17 mei in de Bozar te Brussel, Ravensteinstraat 23.

Tom