In een bank is u, kleine garnaal, een onbenullige bit in een computer. Alleen mensen met hopen geld behouden een bankier om u tegen te zeggen. Bank Degroof beheert, na de opslorping van Petercam, 47 miljard euro. Bank Degroot is van oorsprong een joodse Haute Banque.

Schrijven over geld is moeilijk, schrijven over Joden ook. Schrijven over de twee in één tekst is, in een tijd van para’s voor synagogen en geld van Antwerpse diamantairs bij HSBC in Zwitserland, gewaagd, maar niet onnuttig. Het antisemitisme, dat een drijvende kracht is bij de moslims in België en in de wereld, heeft de invloed van het jodendom op het geld opgeschroefd tot een lachwekkende mythe. In België was en is het aantal Joden in financiële kringen zeer beperkt. Die weinigen waren en zijn bekwaam en zeer gespecialiseerd. Hun historische achtergrond heeft hen geleid naar een kleine nis in de bankmarkt, de privébank, een boeiende wereld, maar geen wereld van waaruit de Belgische economie geleid wordt. Half de jaren tachtig van vorige eeuw had de Belgische Vereniging der Banken een primeur met haar eerste en voorlopig laatste joodse voorzitter, Leo Goldschmidt van Bank Degroof. De fusie – die tegen de zomer rond moet zijn – van Bank Degroof, ooit de Banque Philippson, joods van oorsprong en een zogenaamde Haute Banque, en de vermogensbank Petercam, is geschikt om in de geschiedenis te duiken van Joodse bankiers in België. De voorzitter van Bank Degroof is Alain Philippson, een afstammeling van Franz-Moses Philippson uit Saksen. Wat een fusie wordt genoemd, is in feite een opslorping van de vermogensbeheerder Petercam door Bank Degroof, een ster onder de Belgische privébanken. Dit land heeft katholieke bankiers en vrijzinnige bankiers, geen protestantse bankiers, wel Joodse bankiers. Hun aantal is gering, maar hun kunde en specialisatie is groot. Bank Max Fischer van de Antwerpse diamantwijk, met een grote Joodse klantenkring, ging failliet in 1997, na omvangrijke fraude.

Twee soorten

Wie een psychoanalyse van de bankier schrijft, onderscheidt twee specimen: de bankier-puur en de bankier-bediende. Deze laatste kan gedelegeerd bestuurder zijn van KBC, of van Paribas Fortis, maar is in de eerste plaats een manager, een super-tewerkgestelde, die met zijn vorstelijke wedde niet garant staat voor zijn flaters en die van zijn medewerkers. De pure bankiers, de algemene regel in de negentiende eeuw en een eind in de twintigste eeuw, is uw persoonlijke raadgever en hoofdelijk, tot de laatste euro van zijn fortuin, uw waarborg.

De Bank Degroof groeide uit een slim idee van een Saksische Jood, Frans-Moses Philippson. Dergelijke bank heeft veel minder klanten dan een KBC, en die klanten kloppen aan voor beleggingsadvies, inventieve privé- of openbare leningen, privéplaatsingen, overnamen en fusies. De Joodse Amerikaan Gerard Krefetz, financieel analist en auteur van “Jews and Money” (1982), treedt aan als getuige: “Voor Joden staat geld tussen leven en dood. Het is centraal voor hun bestaan. Geld werd niet vereerd, maar zij beschouwden het als zo essentieel voor hun materiële welzijn, als één God voor hun geestelijke welzijn. In zekere zin heeft geld een existentiële realiteit voor de Joden omdat het hen substantie gaf in niet-Joodse ogen. Zonder hun financiële nuttigheid zouden ze lang geleden vernietigd geweest zijn. De Franse antisemiet Edouard Drumont zei in de negentiende eeuw: ‘Antisemitisme is een economische oorlog.’ Door hun geschiedenis weten de Joden dat zij deze oorlog niet mogen verliezen… Tegen het cliché in beheersen Joden geen enkele superbank. De Joodse interesse gaat uit naar de privébank, de investeringsbank met internationale contacten…. De internationale financiën vergen een gespleten persoonlijkheid, een vertrouwdheid met enkele talen en enkele munten… Hun geschiedenis maakte Joden hypergevoelig voor onzekerheid, economische verandering en politieke omwentelingen… Deze hypergevoeligheid hebben Joden ontwikkeld tot een heuse overlevingstechniek, een wet van de natuurlijke selectie.” Einde citaat.

De meest typische bank van het soort investeringsbank of “merchant bank” in België, is Bank Degroof. Ook na 1935, toen de wetgever de depositobanken afsplitste van de zakenbanken/houdstermaatschappijen, behield Bank Degroof, toen nog Banque Philippson, het statuut van privébankier.
Bank Degroof was decennialang een Brusselse bank die in Vlaanderen onbekend en onbemind was. Vlaanderen bracht er amper belangstelling voor op. Tegen het einde van de twintigste eeuw kantelde die desinteresse. Van de zes nieuwe ondernemingen die tussen 1983 en 1986 ter beurze genoteerd werden, werden er vier begeleid door Bank Degroof. De twee West-Vlaamse ondernemingen uit dat viertal (De Witte Lietaer en Deceuninck Plastics) lagen qua bedrijfstraditie mijlenver van de verfijnde lucht die ingeademd werd aan het nummer 44 van de Nijverheidsstraat in Brussel, het hoofdkantoor van Bank Degroof. Een concurrerende bankier zei toen: “Degroof is eerder een persoonlijke en kwaliteitsbank dan een geldbank. De vennoten en de procuratiehouders zijn zeer kieskeurig, geen gesjoemel. Ook een procuratiehouder heeft twintig klanten die hij zeer omstandig bijstaat. De trivialisering van de bankiersstiel door de uitzaaiing van duizenden geldwinkeltjes tot in de goorste buurten, besmette Bank Degroof niet.”

Saksen

Franz-Moses Philippson ziet het levenslicht in de Saksische stad Maagdenburg (1851), in een voorname Joodse familie. Vader is rabbijn, geloofsijveraar, stichter van een joods blad en een federatie van Duits-Joodse gemeenten. Franz-Moses is veertien bij zijn aankomst in Brussel en hij wordt snel bankjongen bij het joodse financiehuis Errera-Oppenheim, een kiem van de Bank van Brussel. (Het huis Errera aan de Koningsstraat in Brussel is een luxueuze residentie van de Vlaamse regering geworden.) Franz-Moses is 19, dus minderjarig, en hoeft een meerderjarige compagnon bij de stichting, eerst met ene Leubsdorf en later met ene Horwitz, van F.M. Philippson et Cie (1871). Brussel is in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, door de Frans-Duitse oorlog, een internationale geldmarkt. De nieuwe privébank wortelt in goede teelaarde. Elke dag bezoekt F.M. Philippson de beurs, en met de bankiers Lambert (eveneens Joods van oorsprong) en Empain adviseert hij Leopold II bij zijn Afrikaanse fratsen. Met vier bankiers sticht F.M. Philippson later Sabena. Hij is stichter-voorzitter van Prayon, van Overpelt-Lommel en hij is vicepresident en oprichter van de Banque du Congo Belge. Philippson experimenteert, de waarheidstest van de privébankier. Voor de herfinanciering van de overwelving van de Zenne (1884) bedenkt hij een populaire lotenlening.

Geld en praal zijn zussen. In 1888 betrekt F.M. Philippson et Cie het stadspaleisje van grootmaarschalk graaf de Theux, in hartje Brussel, bij de Guimardstraat en de Nijverheidsstraat. De ex-Duits-Joodse financier koopt als rijke bourgeois in zijn land van aankomst op zijn 56e het classicistische kasteel van Seneffe, het mooiste wat de achttiende-eeuwse architectuur bood, met een theater, een ruim park en een rozentuin. (In 1941, de familie Philippson is gevlucht, eist Alexander von Falkenhausen, de Duitse militaire gouverneur in België, het kasteel van Seneffe op als zijn weekeindverblijf en hij beschermt het daardoor tegen een anti-Joodse inbeslagname.) De stichter leidt de bank zestig jaar. De Britse portrettist John Sargent zet hem op doek met zijn priemende ogen en Leopold II-baard. Mevrouw F.M. Philippson, geboren Mayer uit Luxemburg, frequenteert het Brusselse atelier van de avant-gardist, symbolist en Rozenkruiser Fernand Knopff en wordt idealiserend geborsteld in zeldzame tinten. Als mondaine man, voorkomend en geestig, kent Knopff de gecultiveerde bankiers van de hoofdstad. Hij schildert het portret van Isabella Errera. F.M. Philippson verloochent zijn achtergrond niet; hij is voorzitter van het hoogste joodse college in België, het Centraal Israëlitisch Consistorie.

Franz-Moses is zijn eigen koppensneller en let op een vrije oogopslag, een vinnige tred en een rake repliek. In 1910 ziet hij een flukse loopjongen op de beurs, de Vlaming Jan Degroof, van Boortmeerbeek, en haalt hem naar de Nijverheidsstraat. De volksjongen klimt op tot vennoot en neemt contractueel de bank over, in 1939, als de Duitsers naderen en de Philippsons weten dat hun Jüdisches Unternehmen kan aangeslagen worden. De Duitsers melden zich na de bezetting inderdaad bij de bank en Degroof kan “zijn” eigendomstitels voorleggen. Hij leeft vier jaar in spanning, met een reiskoffer binnen handbereik.

Ontjoodsing

Eggert Reeder, het hoofd van de Duitse militaire administratie in het bezette België, schrijft, met binnenpretjes – hij liep niet hoog op met de Jodenjagers – aan zijn superieuren in 1940: “De invloed van het judaïsme op de Belgische economie is eerder zwak.” De ontjoodsing van handel en industrie heeft hier een andere vorm dan in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Een eerste telling levert 7.729 joodse ondernemingen op (waaronder 289 venters). Slechts 200 van die firmaatjes blijken het waard te zijn om door Duitsers, of hun medestanders, overgenomen te worden. De meeste handeltjes behoren toe aan de golf van Ostjuden van de jaren dertig, waar ook de “grande bourgeoisie juive” van Brussel het moeilijk mee heeft. Slechts zes procent van de Joden in België heeft de Belgische nationaliteit en die kleine schare kan vluchten, zoals de Philippsons, of wordt in bescherming genomen door het Koninklijk Hof. Toch doen de razzia’s pijn. Een ooggetuige ziet op het hoofdkwartier van de politieke politie aan de Louizalaan 550 na de razzia van 3 september 1943: “Groepjes samengehurkt op het stro: geneesheren, advocaten, bankiers, diamantairs.” Bij het trieste groepje zit “de eerbiedwaardige Madame de Bauer”, gelieerd met Paul May, Joseph May, Max Gottschalk en Jules Philippson. In zijn “Judaïsme et Franc-Maçonnerie” schuimbekt Robert Poulet in 1940 over “La fortune vagabonde en anonyme des fils de SEM”.

Na 1945 keren de Philippsons terug naar België. De familie is klein en niet wereldwijd vertakt à la Rothschild. In 1956 wordt de bank Jules F.M. Philippson herdoopt tot Jean Degroof et Cie, een commanditaire vennootschap, en de vennoten zijn dan Jules Philippson, zoon van Franz-Moses, Jean Degroof, Roger Sartini en Georges Everaert. Vanaf 1971 wordt de naam van de bank eenvoudigweg Bank Degroof. De volgende naamsverandering gebeurt in de zomer 2015, want dan is Bank Degroof voortaan Degroof Petercam. Om daar klant te worden, klopt u best aan met minstens 1 miljoen euro of de portier laat u niet binnen.

Frans Crols


Alfred, Dannie en Bernard

Alfred Loewenstein, Dannie Heinemann en Bernard Chlepner verdienen een vermelding bij het thema Joden en geld in België. Loewenstein en Heinemann zijn financiers. Chlepner is een theoreticus van het bankwezen. Dannie Heinemann (1872-1962) vertrekt voor de Duitse inval naar Noord-Amerika. Die Joods-Duitse Amerikaan bouwt Sofina, de Belgische dochter van het Duitse AEG (Allgemeine Elektricitäts-Gesellschaft, gesticht in 1883 door de Joodse zakenman Emil Rathenau, deze kocht enkele patenten van Thomas Edison), om van een dreumes tot een portefeuillemaatschappij met aandelen in internationale elektriciteitsbedrijven en vervoernetten. Met Sidro van Alfred Loewenstein neemt hij deel in Barcolona Traction. Heinemann helpt Einstein en Adenauer in de jaren dertig in hun verzet tegen de nazi’s.

De Joods-Brusselse Alfred Loewenstein, stichter en motor van Barcelona Traction, Brazilian Traction Light and Power, Sidro en Cellulose Holding, bekeert zich tot het katholicisme, en heeft aanvallen van mysticisme. Hij bezit als één van de eerste landgenoten een privévliegtuig (met een werkkamer) en hij is verslaafd aan ruchtbaarheid rond zijn naam. In de nacht van 4 juli 1928, tijdens een reis van Londen naar Brussel, valt Loewenstein boven de Noordzee uit zijn privévliegtuig. Zijn nooit opgehelderde dood wekt grote belangstelling, jarenlang. Hij laat in 1928 geen groep, geen familie na.

Serge Chlepner is geboren in 1890 in Oekraïne. Zijn vader is wijnhandelaar. Op zijn 16e wordt junior opgepakt en verbannen door de tsaristische politie, omwille van een socialistische samenzwering. Hij arriveert in Brussel, studeert aan de ULB en wordt tijdens de jaren 1920-1940 de belangrijkste geschiedkundige en theoreticus van het Belgische bankwezen, met La Banque en Belgique, Le Marché Financier Belge depuis Cent Ans, Belgian Banking and Banking Theory. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij in Washington voor het Brookings Institute, een denktank.
Camille Gutt, van de Gutt Operatie, en baron Léon Lambert, van de Banque Lambert (Lode Claes werkte ooit voor hem, als leider van een spaarbank gekoppeld aan de Banque Lambert), zijn nog voorbeelden van Joodse Belgen die schitterden in de niche van het fijnere bankierswerk.


Vlaanderen is prioriteit

De weinige bankiers in de niche van de Haute Banque blikken verlekkerd naar Vlaanderen: daar zit het geld van België, vooral bij de succesvolle middelgrote en kleine familiale ondernemingen. Slechts twee generaties geleden had negentig procent van de Vlamingen een spaarsok en in het allerbeste geval een rekening bij de ASLK, het “kaske”. Sedertdien zijn wij stinkend rijk geworden en is een bank, soms een Haute Banque, geen Marsmannetje meer voor Vlamingen.

De fusiebank Degroof Petercam heeft als eerste doel om de markt van de private banking in Vlaanderen sterker te bezetten. Zij botst als grote concurrent op Bank Delen (van houdstermaatschappij Ackermans & Van Haaren) en een compagnon van Bank Van Breda (met Vlaamsgezinde wortels in het Lierse). In dezelfde sector opereren de effectenbankier Puilaetco Dewaay van KBL Private Bankers (een Luxemburgse dochter van KBC), ABN Amro België (dat uitdrukkelijk mikt op rijke Vlamingen en Nederbelgen), Van Lanschot Bankiers (Noord-Brabants en ooit begonnen in Antwerpen, dat bewijst het Godshuis Van Lanschot bij het Hessenplein) en Dierickx Leys (Antwerps en met een brede markt langs de onderkant van de Vlaamse vermogens).