Sinn Féin, de Ierse nationalistische partij die naam en faam heeft gemaakt in Noord-Ierland en daar in de deelstaatregering zit, is bezig aan een stevige opmars in de Ierse Republiek. Reeds in 2011, bij de vorige verkiezingen voor de Dáil Éireann (het Iers Parlement), haalde de partij net geen tien procent en veertien zetels. Bij de Europese verkiezingen in 2014 haalde Sinn Féin al bijna twintig procent en drie zetels. De peilingen geven aan dat er nog vooruitgang in zit, zodat Sinn Féin zich kan meten met de grote twee van de Ierse politiek: Fianna Fáil en Fine Gael.

Die twee partijen zien de opgang van de republikeinse nationalisten met lede ogen aan. Decennialang maakten zij de dienst uit in de Ierse Republiek. Nu eens stond de ene partij aan het roer, dan weer de andere. De Labourpartij deed al eens dienst als coalitiepartner. De Ieren noemden dat het ‘two and a half party system’, met Labour als het ‘halfje’. Dat systeem wordt nu bedreigd door de forse opgang van Sinn Féin, dat in de Republiek lange tijd een marginale status genoot, als ‘politieke arm’ van het Iers Republikeins Leger (IRA).

Er zijn twee redenen voor het succes van de radicale republikeinen. Vooreerst koos de populaire SF-voorman Gerry Adams voor een voortzetting van zijn politieke carrière in de Republiek. Adams was jarenlang een boegbeeld in de Noord-Ierse politiek. Hij was ook verkozen in het deelstaatparlement én in het Britse Lagerhuis. In 2011 werd hij verkozen in de Dáil. De Noord-Ierse besognes liet hij over aan zijn “compagnon de route”, Martin McGuinness, die er vicepremier is. Maar ook de politieke keuzes die Sinn Féin maakt, bepalen het recente succes. De partij is al sinds de jaren zestig een linkse (tot zeer linkse) partij en spint nu garen bij de crisis waarin Ierland het jongste decennium verzeild is geraakt. Europa en het IMF dwongen de Ierse regeringen tot harde besparingsmaatregelen en Sinn Féin trekt daartegen hard van leer. De partij speelt dezelfde rol als Podemos in Spanje en Syriza in Griekenland, en de Ierse kiezers lijken er wel pap van te lusten.

Ooit was Sinn Féin veruit de grootste partij van heel het groene eiland. Dat was in de nasleep van de Paasopstand, in 1916, waaraan de partij nochtans officieel niet deelnam. Bij de Britse verkiezingen van 1918 haalde Sinn Féin, geleid door Éamon de Valera, 73 van de 105 Ierse zetels. Vlak daarna stichtten de MP’s van de partij het autonome Iers Parlement en werd de Ierse onafhankelijkheid uitgeroepen. Maar de onderhandelingen met de Britten leidden tot de opdeling van Ierland. De voor- en tegenstanders van dat akkoord raakten verwikkeld in een heuse burgeroorlog. Sinn Féin viel uiteen en twee nieuwe partijen zagen het licht: Fine Gael (pro-Treaty) en Fianna Fáil (gematigd republikeins). De rol van Sinn Féin in het Zuiden was uitgespeeld. Tot nu. In het licht van de geschiedenis betekent het huidige succes niet meer of minder dan de ‘grote terugkeer’. De strijdleus van Sinn Féin luidt niet voor niets Tiocfaidh ár lá: onze dag zal komen.