Onrust

Natuurlijk hebt u in de Vlaamse media iets opgevangen over de onrust aan Nederlandse universiteiten en hogescholen: vooral wat oppervlakkige praat, die aan de oorzaak van de problemen voorbijgaat.

Het moet leuk zijn

De schuld voor de onrust wordt per definitie bij de overheid en de instellingsbesturen gelegd. Hagelwit zijn ze zeker niet, maar de actievoerders zijn ook niet altijd idealistische jongeren die Nederland in de vaart der volkeren willen voortstuwen. De huidige studenten zijn de kleinkinderen van de oud-strijders van 1968, of de kinderen van de generatie die in de jaren zeventig en tachtig de bloemetjes buitenzette. Ze zijn opgevoed – of meestal niet opgevoed – met het verschijnsel dat alles moet kunnen, dat het leuk moet zijn en dat “overleg” tussen (piepjonge) kinderen en ouders (of stiefouders, want 40 procent van de Nederlandse huwelijken eindigt in een echtscheiding) het enige aanvaardbare gezinsmodel is. (Stief)pa en (stief)ma moeten dokken en niet proberen gezag uit te oefenen. Daarenboven hoort het jonge grut al heel hun leven hoe leuk het in de jaren tussen 1970 en 2000 was. Met de basisbeurs kon een jongere gemakkelijk rondkomen en met nog wat extra geld van thuis of een bijbaantje, was het helemaal “fun”. Een studie rondde je nooit af op vier of vijf jaar. Zeven jaar was een goed gemiddelde; acht jaar was helemaal geen uitzondering voor een papiertje dat in Vlaanderen toen nog een licenciaatsdiploma heette. Geleidelijk stroomde heel Nederland het hoger onderwijs in. Deze leuke generatie had recht op leuke studies, en gelukkig had de beroemde Mammoetwet van 1969 er al voor gezorgd dat de middelbare studies leuker werden. Gedaan met de studie van vier talen. Naast Nederlands volstond steenkolenengels. Dus moesten vervolgens hogere studies ook leuker worden om die massale zondvloed studenten te kanaliseren. De socialisten, die meestal onderwijs beheerden, wilden af van dat ouderwetse kennisonderwijs, want sociale vaardigheden waren toch zoveel belangrijker. Dus introduceerde men massaal hobbystudies die beter aangepast waren aan het gebrek aan kennis en studie-ethos van de nieuwe generatie. Nederland heeft sinds 2000 ongeveer 50.000 communicatieparkieten opgeleid en nauwelijks 2.000 ingenieurs, want die studie is niet leuk.

Beter onderwijs

Maar die leuke dingen waren niet langer te financieren. Nederland telt vandaag 665.000 studenten aan universiteiten en hogescholen. De politiek wou er niet aan denken dat al die jongens en meisjes zich lekker zeven à acht jaar zouden vermaken. Dus volgde een eerste maatregel: beperking van de studieduur. De centra hoger onderwijs kregen voortaan geld per afgestudeerde jongere en de eis om het leuke leventje wat in te korten. Dat laatste gebeurde ook, maar tezelfdertijd namen de instellingen de gemakkelijkste maatregel om ervoor te zorgen dat nog meer diploma’s uitgedeeld werden: nog makkelijkere hobbystudies. Ik herinner me niet dat studentenorganisaties massaal de straat opgingen of het Amsterdamse Maagdenhuis (de zetel van het bestuur van de Universiteit van Amsterdam) toen bezetten, want hoe gemakkelijker hoe leuker. En toen viel de bijl. Gedaan met dikke studiebeurzen, maar studiefinanciering met lening gedurende een beperkt aantal jaren, zodanig dat de jongelui uit hun lethargie ontwaakten. Bovendien werd het hoger onderwijs, zoals in de rest van Europa, kapotgemaakt door de idioten van de Europese Unie die het belachelijke Amerikaanse bachelor-mastersysteem verplicht stelden. Het hoger onderwijs werd een diplomafabriek en het management stelde voortaan ook rendementseisen aan het personeel: “publish or perish”. Docenten moesten als gek publiceren en zelf geciteerd worden, want artikels en citaten werden voortaan geteld. Goede docenten die studenten iets bijbrachten, verwaarloosden hun onderwijstaak om te schrijven of collega’s te citeren in ruil om zelf geciteerd te worden. Ten slotte kookte het potje over. In de afgelopen weken namen de studenten van de Universiteit van Amsterdam het voortouw. Ze eisen terecht weer beter onderwijs, meer docenten en minder managerspraat van het bestuur. En de docenten sprongen op de studentenkar. Vooral bij de Faculteit Geesteswetenschappen eisen ze dat er weer echte taalafdelingen komen die de vrijblijvende huidige Taal- en Cultuuropleidingen vervangen, want studenten kunnen na vijf jaar (tenzij in het Engels) nauwelijks een koffie bestellen in een vreemde taal. In een land dat van de export leeft, kan men in de hoofdstad geen enkele taal studeren van alle landen tussen de Duitstalige wereld en Rusland.

Willem de Prater