De hoofddoek: voorspeller van fundamentalisme

Een paar maand geleden werd een groot sociologisch onderzoek van de Nederlander Peter Koopmans zoveel mogelijk verzwegen. Ere wie ere toekomt, De Morgen vermeldde het wel. Maar de leugenkrant De Standaard niet, want het past niet in het opportunistische politiekcorrecte beleid van een redactie waar ik altijd het gevoel bij krijg dat de meerderheid van haar journalisten vijfenzeventig jaar geleden, toen een andere ideologie politiekcorrect was en kansen bood, met de rechterarm omhoog zou gestaan hebben.

Meerderheid van fundi’s

In zijn onderzoek besloot Koopmans dat een kleine meerderheid van de mohammedanen in België (zo’n 52 procent) de democratie niet aanvaardt en de wetten van hun misdadige ideologie boven die van het land stelt waar ze ongegeneerd de nationaliteit en de grote sociale voordelen van plukt. Dat is iets anders dan die kleine minderheid die altijd naar voren geschoven wordt in de Belgischer Beobachter uit Groot-Bijgaarden. In de praktijk komen de bevindingen van Koopmans erop neer dat van iedere twee Marokkanen die u op straat ziet er minstens één is die u beschouwt als een minderwaardig iemand. Kortom, minstens een kleine meerderheid van Marokkanen zijn racisten en zoals links en de platte idioten van CD&V herhalen, is racisme geen opinie maar een misdaad. Voor Nederland liggen de cijfers iets lager. Daar stelt Koopmans dat “maar” 45 procent van de mohammedanen van oordeel is dat de regels van hun ideologie boven de wetten van het land staan.

Geen onschuldig lapje stof

Het Nederlandse feministische maandblad Opzij publiceert nog andere resultaten van het onderzoek van Koopmans. Hij ging niet over één nacht ijs. Hij onderzocht de opinies van 9.000 mensen in Nederland, België en Duitsland. Zijn besluit liegt er niet om: “Als tolerante Nederlanders zijn we geneigd te denken dat de hoofddoek een onschuldig lapje stof is. Dat klopt niet. 55 procent van de stellen waarvan de vrouw een hoofddoek  draagt, is fundamentalistisch.” In gewone taal: potentiële misdadigers, die niet zullen aarzelen geweld te gebruiken of dat goed te keuren in een situatie waarbij er niet langer een autochtone en democratische meerderheid is die zo’n gewelduitbarstingen tegen niet-mohammedanen kan verhinderen. Het enige positieve aan de hele ellende is dat 45 procent officiële mohammedanen (van wie er velen sterk geseculariseerd zijn) niet meteen naar een mes grijpen, omdat zij een democratische maatschappij hebben leren op prijs stellen. Maar zij zullen waarschijnlijk wel als “afvalligen” de eerste slachtoffers zijn als de fundi’s het voor het zeggen krijgen.

Hoofddoek als belemmering

Koopmans ontkracht ook de al jaren gebruikte mohammedaanse leugen dat de hoofddoek vrouwen bevrijdt. Het is volgens zijn cijfers gewoon het tegendeel. Met andere woorden: die lap textiel is volgens hem “de beste voorspeller van fundamentalisme”. Hoofddoekdraagsters zijn wel degelijk onverdraagzame schepsels met afschuwelijke meningen over bijvoorbeeld Joden. Zij werken ook veel minder buitenshuis dan niet-hoofddoekdraagsters. Niet omdat zij – volgens de Termonten, Kherbaches, Tobbacks, Almacis, Van Besiens en andere bedriegers van deze wereld – op hun ideologie worden aangekeken, maar omdat het grootste deel onder hen zelf vindt dat ze in de keuken thuishoort en niet met vreemde mannen mag omgaan. In sociologenjargon heet dat dan: “Dat de hoofddoek de arbeidsmarktparticipatie van moslima’s bevordert of mogelijk maakt, is dus een fabeltje. Naast een laag opleidingsniveau is de hoofddoek de belangrijkste verklaring voor de lage arbeidsmarktparticipatie van moslima’s.”

Koopmans legt uiteraard de link met de mannen van de hoofddoekendraagster, waar naar verhouding veel meer homohaters en vijanden van het Westen bij te vinden zijn dan bij de heren zonder gesluierde dame. “Ook als je corrigeert voor leeftijd en opleidingsniveau zie je dat de hoofddoek gepaard gaat met fundamentalisme, een vijandigere houding en meer antisemitisme.” Feitelijk zegt Koopmans niet zo veel nieuw. Hij bewijst alleen maar dat het klootjesvolk – arbeiders, kleine bedienden, bejaarden die niet in het groen of een duurdere woonwijk konden vluchten – het altijd bij het rechte eind had als ze wantrouwend tegenover hoofddoekdraagsters staat. Maar een Nederlander durft dat wel met harde cijfers bewijzen, terwijl laffe, kruiperige Vlaamse academici zwijgen of moeten zwijgen. De resultaten van Koopmans onderzoek moeten ons alleen maar sterken in onze walging voor de politiekcorrecten en voor het mediatuig dat dagelijks, volgens het recept van hun geestelijke voorgangers in de jaren dertig, de schuld legt bij de slachtoffers en de racistische daders voorstelt als de onschuldigen die lijden onder discriminatie.

Willem de Prater