De (3) musketiers

Op de steengoede webstek IMDB – alles wat je over film ooit wilde weten – geraakte ik de tel kwijt toen ik probeerde het aantal films of televisiereeksen te turven die ooit over de drie musketiers zijn gemaakt. Mythische helden blijven soms lang leven, maar verdwijnen ten slotte in de nevelen van de tijd. Die musketiers zijn een uitzondering. Ze blijven maar opduiken in nieuwe films en televisiereeksen.

Wachter en student

De musketiers van Alexandre Dumas hebben maar één historisch probleem. Athos, Porthos, Aramis en aspirant d’Artagnan doen ongeveer alles wat echte musketiers zelden of nooit doen: ijlbode zijn, detective spelen, en met drie of vier de vijand te lijf gaan. In werkelijkheid zijn musketiers in de eerste plaats koninklijke wachters en in de tweede plaats toekomstige officieren. Lodewijk XIII (zoon van de vermoorde Hendrik IV) bewapent in 1622 een compagnie lichte cavalerie met musketten. De musketiers staan hem exclusief ten dienste. Zij zijn geen deel van het gewone leger, dat uitsluitend uit huurlingen bestaat. De koning is zelf de kapitein en daarom heeft de feitelijke bevelhebber de rang van luitenant. Dat is graaf de Troisville (toen uitgesproken als Tréville, en later ook zo geschreven). Troisville komt uit het zuidwesten van Frankrijk en rekruteert daar bij voorkeur zonen van de plaatselijke lagere adel voor zijn compagnie: vandaar de Gasconjer d’Artagnan. Naast zijn wachttaken studeert een musketier, want het is de bedoeling dat hij na een paar jaar officier in het leger wordt. Meestal helpen prinsen, hertogen, markiezen en graven een kennis aan een officiersbaan, maar Lodewijk kent al zijn musketiers persoonlijk en hij kan voortaan zijn eigen mannetjes in de legerbendes benoemen.

Musketiers en de mannen van de kardinaal

Onder Lodewijk XIII bestaat de compagnie uit 120 man. Onder zijn opvolger komt er een tweede compagnie bij en verdubbelt het aantal musketiers per eenheid. De musketiers nemen deel aan parades, laten hun kunstjes zien bij cavalerieoefeningen en worden soms opgevorderd als danspartners bij de feesten in één van de koninklijke paleizen. Iedere dag biedt de luitenant zich aan bij de koning en vraagt naar diens bevelen. Als die “rien” zegt, studeren de musketiers die niet op wacht staan geschiedenis, tactiek, bewapening, rijkunst, enzovoort. Vanzelfsprekend zijn de musketiers in de eerste plaats soldaten, die tijdens veldtochten een praktische opleiding krijgen. Alexandre Dumas geeft een beetje de indruk dat Lodewijk XIII een naïeve heerser is, als was in de handen van zijn belangrijkste minister (de functie van eerste minister bestaat niet): de intrigant Richelieu. Deze hertog is beter bekend als “de kardinaal”, omdat hij die functie aan de top van de Franse Kerk combineert met die van minister. In werkelijkheid werken de koning en de kardinaal goed samen. Richelieu doet er alles aan om de macht van de hoge adel te breken, zodat de koning de absolute heerser kan worden. Richelieu heeft meestal de touwtjes van de buitenlandse politiek in handen, omdat Lodewijk zeer vaak op het oorlogspad is… in de eerste plaats in zijn eigen land. Zijn tegenstanders zijn de familie (eerst zijn moeder en later zijn broer), de hoge adel en natuurlijk de protestanten, met hun bolwerk in La Rochelle. Lodewijk verslaat ze allemaal. Een Franse vorst die niet naar de Nederlanden loert, bestaat niet. Lodewijk verovert Artesië en lijft het prachtige Atrecht in. De koning is geen angsthaas. Hij controleert zijn soldaten, bezoekt kazematten en inspecteert zijn artillerie. Uiteraard is hij altijd vergezeld door zijn musketiers. Hij aarzelt niet hen in te zetten tijdens veldslagen. Dan laten ze hun paarden achter, in de handen van hun dienaars, en vechten te voet. Musketiers storten zich meestal met veel bravoure en overmoed in het gevecht, want ze weten dat de koning hen in het oog houdt. Hun verliezen zijn dikwijls groot. Ze dragen een bandelier met twaalf ladingen poeder en een reservelont. Meestal gebruiken ze een licht musket, want een zwaar exemplaar moet op een metalen vork rusten om gericht te vuren. En natuurlijk trekken ze hun degens in lijf-aan-lijfgevechten. In films vechten de musketier altijd met een “epée à coquille”, een zwaard met handbeschermer (een stootplaat), maar in realiteit bestaat er geen uniform wapen. In de stad draagt de musketier meestal een lichtere degen; een floret, dat we zo goed kennen uit de (verboden) duels met de mannen van de kardinaal. Het stuift al eens tussen de beide groepen, maar het is niet zo dat zij gezworen vijanden zijn. Richelieu heeft geen lijfwacht voor zijn plezier. Meerdere keren wordt er een aanslag op hem gepleegd. De koning dringt erop aan dat hij zich laat beschermen door vijftig in het rood geklede soldaten. De kardinaal zelf draagt bijna nooit rood (feitelijk alleen op schilderijen), want die kleur maakt het zijn vijanden te gemakkelijk. Ook de musketiers dragen een rood uniform, maar ze zijn gemakkelijk te herkennen aan hun mooie lichtblauwe overgooier met een zilveren kruis; bekend van schilderijen, want er bestaat geen authentiek exemplaar meer.

Onder Lodewijk XIII en Lodewijk XIV zijn de musketiers, jonge en roekeloze maar geharde elitesoldaten, altijd op het slagveld te vinden. Maar na de dood van Lodewijk XIV komt er eindelijk wat meer vrede in Europa. Musketier zijn wordt geleidelijk een erebaan. Nogal wat lage edelen installeren zich voor vele jaren in de compagnie. De echte militairen vragen zich af of die paradesoldaten wel kunnen vechten. Lodewijk XVI heeft al een Zwitserse wacht en hij laat de musketiers in 1775 verdwijnen, met de bekende moderne reden (besparingen). Wanneer Bonaparte naar Elba verbannen wordt, in 1814, restaureert de nieuwe Franse koning (broer van 16 jaar) de musketiers, om zijn hof een traditioneel schijntje te geven. Een paar bejaarde heren die vijftig jaar vroeger musketier waren, wonen de plechtigheid bij. Een jaar later rijzen de kosten weer uit de pan en deze keer verdwijnen de musketiers definitief.

Charles de Batz, graaf van Artagnan

Hoe staat het dan met de drie musketiers? De bronnen vertellen dat Charles de Batz op zijn 17de kadet bij de musketiers wordt. Hij noemt zich d’Artagnan, al is dat de naam van zijn moeder. Zoals nogal wat lagere edelen meet hij zich de hogere titel van graaf aan, die hij feitelijk niet heeft. Natuurlijk kent hij tussen 1640 en 1644 collega’s als Armand de Sillègue d’Athos, Isaac de Portau en Henri d’Aramitz, een neef van luitenant de Tréville. Maar al hun avonturen komen uit de fantasie van Dumas en zijn medewerker Auguste Maquet. De echte d’Artagnan komt eerst in zijn element na de dood van Lodewijk XIII. In de burgeroorlog (“Fronde”) tussen de hoge adel en de koningin-moeder en kardinaal Mazarin (Richelieus opvolger) kiest de musketier radicaal voor de belangen van de 10-jarige Lodewijk XIV. Hij wordt de luitenant van de compagnie en hij blijft dat de rest van zijn leven. Hij is de vertrouwensman. Met zijn mannen beschermt hij de koning als die in een koets getrokken door zes witte paarden ergens zijn intrede maakt. Hij is degene die vuile klusjes opknapt, zoals de arrestatie van de minister van Financiën. En hij vecht tijdens de vele oorlogen van Lodewijk. D’Artagnan is 62 wanneer hij, aan het hoofd van zijn compagnie, bij de bestorming van een bolwerk in Maastricht, sneuvelt. De koning houdt zijn lijkrede. Vauban, die de belegering leidt, schrijft in zijn memoires dat D’Artagnan één van die hoogmoedige Franse officieren was die, omwille van “la gloire”, zichzelf en zijn manschappen zinloos de dood injoeg.

Jan Neckers