Het eeuwige leugenverhaal

Ik lette niet op de man die naast me in een boek zat te lezen tot hij plotseling een krakende vloek liet.

Ik zei: “Dat was een ferme.”

“Hij moest nog fermer zijn”, zei hij. “Wat in dit boek staat is om…” Hij stokte, keek me aan en riep: “Den Tee! Dat is jaren geleden!”

Ik dacht even na en zei toen: “De Stan, gij zijt geen haar veranderd.”

“Bij Net in d’Huikstraat! Wij zijn al heel wat van onze haren kwijt, jong. Waar is den tijd hier in de buurt? Onze jeugd bij de scouts in de Potagiepoort, hier van op het terras naar de schepen kijken, de mis in de Sint-Pauluskerk. Niet te geloven! Ik voel me terug een pak jonger met jou te zien.”

“Waarom liet jij zojuist een knetterende vloek?” vroeg ik.

“Door wat ik lees in dit nieuwe boek over Antwerpen, ’t Stad van Vroeger, geschreven door een stadsgids die zichzelf beroepsAntwerpenaar noemt.”

“Een eretitel”, vond ik.

“Voor wat ik hier lees, is hij die titel niet waard”, zei Stan boos.

“Straffe taal, Stan.”

“Ge zult mij rap gelijk geven. Herinner jij je de brand van de Sint-Pauluskerk?”

“Natuurlijk. In de nacht van 2 op 3 april 1968”, wist ik uit het hoofd.

“In dit boek schrijft hij over de buurt toen rond de kerk waar schaars geklede prostituees voor de ramen zaten.”

“In die tijd waren die meisjes nog deftig gekleed in vergelijking met hoe ze zich nu tentoonstellen”, lachte ik.

“Die toenmalige schaars geklede dametjes waren er, volgens hem, verantwoordelijk voor dat de kerk nu altijd nog het indrukwekkende, rijkelijke monument is dat ze sinds de barok altijd is geweest.”

Mijn mond viel open en ik reageerde met: “Wat hadden hoeren in godsnaam te maken met de brand?”

“Hier lees zelf”, zei hij.

Die kans kreeg ik niet want Stan las zelf verder. “Het vuur verspreidde zich vliegensvlug en legde het gebouw volledig in de as.”

Ik schoot in een daverende lach. “In de kerk zijn nooit vlammen geweest. De eerste brand begon in een belendend huis. Het vuur sloeg over naar de vakschool en het oude aanleunend kloostergebouw. Pas later naderden de vlammen de kerk. Het dak brandde volledig af met als gevolg veel water in de kerk en er was ook vuur in de toren. Toen was de reddingsactie van de schatten en kunstwerken al heel lang aan de gang. In feite niet helemaal nodig omdat het binnen nooit heeft gebrand. Iets wat men toen niet kon weten. Men nam het zekere voor het onzekere door zoveel mogelijk uit de kerk te verwijderen.”

“In dit boek staat dat het de hoeren waren die de kunstschatten hebben gered. Omdat zij ’s nachts werkten, verzamelden zij de buren om samen alles wat los zat in de kerk te redden van de vlammen.”

“Vlammen die er niet eens waren”, zuchtte ik.

“De beroepsAntwerpenaar noemt het een fantastische daad. Door de hoeren werd zelfs een standbeeld gered uit de kerk.”

“Ik heb nooit een standbeeld in de kerk gezien”, lachte ik.

“Beste Tee, jij en ik, de parochianen en omwonenden schoten bij het eerste gevaar aan het werk nadat de pastoor de drie toegangen tot de kerk had laten openzetten. Studenten van de kunstacademie sneden vakkundig schilderijen uit hun loodzware lijsten. De pastoor opende de kluis in de sacristie en alleen getrouwen brachten de kerkschat naar de pastorij. Intussen was de brandweer al druk aan het werk. De gouverneur liet een detachement soldaten aanrukken. Burgers moesten buiten en de soldaten rukten de kunstige houten biechtstoelen los.”

“Voorlopig werden schilderijen op de straat gezet en afgedekt met doeken en dekens. Bij al dat werk heb ik niet één hoer gezien.”

“Een helper vertelt dat hij toen een hoer heeft gezien”, lachte Stan. “Zij was de reden tot het hoerenverhaal dat eeuwig blijft leven ook in dit nieuwe boek. Tee, jij hebt na de brand in de Gazet van Antwerpen het juiste relaas van de brand in zes afleveringen geschreven. Je kreeg er zelfs felicitaties voor van de gouverneur.”

“Ik hoop voor de kopers van het boek dat de verdere inhoud meer waarheidsgetrouw is”, besloot ik.

TdW