Oxford en The Riot Club

De jongste jaren zijn elitaire studentenclubs verworden tot een bijzonder populair thema in de televisie- en filmwereld. Denk maar aan het Nederlandse ‘Feuten’, een serie, sinds kort ook verfilmd, die een fictieve inkijk geeft in het leven van ambitieuze studenten, meestal van gegoede komaf. In Groot-Brittannië hebben ze sinds enige tijd een gelijksoortig filmproject. ‘The Riot Club’ vertelt het verhaal van elitaire jochies aan de universiteit van Oxford. Kwatongen beweren dat de fictieve Riot Club een zinspeling is op een elitair studentenkorps waarvan tal van politieke zwaargewichten lid waren.

Fictie en waarheid

‘The Riot Club’ kwam in het najaar van 2014 in de Britse bioscoopzalen. De film is een bewerking van ‘Posh’, een toneelstuk dat aan de start van dit decennium werd gespeeld in het Royal Court Theater in London. De essentie werd in de filmversie bewaard. De kijker volgt het leven van rijkeluiszoontjes. De tijd van ascese en toewijding aan de studie lijkt ver achter ons te liggen. In Oxford blijken de jonge patsers voornamelijk in de weer te zijn met zuippartijen. Op dat vlak loopt de verhaallijn in eerste instantie gelijk met het Nederlandse ‘Feuten’. We gaan de inhoud van het drama niet uit de doeken doen. Beoordeelt u de film vooral zelf. Het belangrijkste, in deze rubriek, is de vraag: in hoeverre is ‘The Riot Club’ puur fictie?

‘The Riot Club’ maakt namelijk allusie op de Bullingdon Club, het exclusieve studentenkorps dat onofficiële banden onderhoudt met Oxford University. De club werd aan het eind van de achttiende eeuw boven de doopvont gehouden. In eerste instantie deed Bullingdon dienst als een klassieke sportvereniging, uitsluitend voor mannelijke studenten. De leden beoefenden populaire sporten als cricket, schermen en paardenrennen. De Bullingdon Club was echter meer dan een dure sportclub. Het korps kreeg doorheen de tijd een slechte reputatie. De rijkeluiszoontjes vlogen regelmatig uit de bocht. Ze werden gevreesd voor de vernielingen die zij in restaurants en op de universiteitscampus aanrichtten. Vechtpartijen waren schering en inslag. Omwille van die slechte naam werd Bullingdon nooit aanzien als een officieel onderdeel van de Oxfordse topuniversiteit. Wel integendeel. De academische medewerkers en decanen waren de club liever kwijt dan rijk. De leden van The Riot Club, aka Bullingdon Club, werden dan ook vaak beschouwd als de hooligans van de elitaire klasse.

Arrogantie en macht

Het doel van Lone Scherfig, de regisseuse, ligt er vingerdik op. De welgestelde jongeren kijken neer op alles wat minder rijk bedeeld is. ‘The Riot Club’ is onrechtstreeks een felle aanklacht tegen de standenmaatschappij die Groot-Brittannië – volgens de filmmaakster – nog steeds is. Meteen brengt de film tal van hoog aangeschreven Britten in verlegenheid. De leden van The Bullingdon Club komen, door hun afkomst, nagenoeg altijd terecht op vitale maatschappelijke posities, in het bedrijfsleven, in de politiek of in de juridische wereld. Lone Scherfig vroeg zich af, in de Franstalige krant Metro, of “studenten die neerkijken op de rest van de bevolking wel geschikt zijn om een land te leiden als politicus”. Komt daar even de aap uit de mouw. David Cameron, huidig eerste minister, is voormalig lid van de elitaire jongensclub. Zijn partijgenoten Boris Johnson, burgemeester van London, en George Osborne, minister van Financiën, zijn eveneens oud-leden. Dat de film, met zinspeling op de bestaande studentenvereniging, enkele maanden voor de nationale verkiezingen in de bioscoopzalen draait, kan bezwaarlijk toeval heten.

Oud en nieuw geld

In hoeverre is de verfilming in sociologisch opzicht realistisch? Wel, clichés bevatten zoals steeds een kern van waarheid. Wie op jonge leeftijd van thuis bergen geld meekrijgt, vervalt soms in een verweesd bestaan. De drang om dan te kiezen voor een ordinair tijdverdrijf, zonder al te veel zingeving, wordt voor vele jongemannen dan wel erg groot. Met seks, drank en arrogantie als leidraad. Echter, het hoeft niet per definitie zo te zijn dat leden van elitaire studentenkorpsen automatisch in walgelijke decadentie vervallen. Kinderen die in aristocratische milieus opgroeien, zeg maar de wereld van het oude geld, zijn doorgaans minder vatbaar voor dat soort uitspattingen.

Sociologisch ligt de mentaliteit van de jonge pauper en de rijke jongvolwassen aristocraat zeer dicht bij elkaar: het verloop van het leven ligt van bij de geboorte min of meer vast en is voorspelbaar. Het probleem stelt zich meestal bij kinderen van parvenu’s, het nieuwe geld dus. Die jongeren hebben via hun opvoeding meestal niet geleerd zich hoofs te gedragen. Geld moet juist getoond worden. Streberig en ambitieus denken maakt inherent onderdeel uit van hun bestaan. Het ontbreekt die jongeren veelal aan ‘cultureel kapitaal’, om het met woorden van de socioloog Pierre Bourdieu te zeggen. In dat opzicht is David Cameron, als zoon van een beurshandelaar (nieuw geld) en afstammeling van King Willem IV (oud geld), een randgeval.

LvS