Stunts

Belgisch kampioen Jens Debusschere won een rit in Tirreno-Adriatico. Meteen na aankomst, in een eerste reactie, zei hij dat dit, na zijn kampioentitel, de grootste zege van zijn nog prille profcarrière is. Euforisch draaide het clubje Belgische journalisten de zaken om, en legde Debusschere in de mond dat niet zijn titel, wel het gewonnen spurtje in een “World Tour” rittenkoers “groter” was. Een stunt! Alsof een spurtje winnend afronden de “marktwaarde” van Debusschere meer zou verhogen dan een seizoen lang mogen rondrijden in het shirt van nationaal wegkampioen.

We geven grif toe dat de vaderlandse wielerscribenten weinig reden hebben om de slogan “de koers is van ons” in een ander dan dun waterverfje te zetten. Wil niet zeggen dat ze de kluit moeten proberen te belazeren door van muggen olifanten te maken. Meervoud, omdat ook de “stunt” van Greg van Aevermaet, daags na die van Debusschere, in dat kader past. Het duo leverde verdienstelijke prestaties, dat zeker. Een tikje onverwacht ook, gezien de kwaliteit van de internationale sprintconcurrentie. Maar de waarheid heeft haar rechten. De rittenkoersen Parijs-Nice en Tirreno-Adriatico zijn dan wel opgenomen in het grote “World Tour”-circuit, ze blijven, zeker voor klassieke wegrenners als Debusschere en Van Aevermaet, wat ze altijd waren: opwarmers voor het rijtje klassiekers dat er aankomt, met in de spits Milaan-Sanremo. Winst in opwarmertjes als stunts verkopen, doen journalisten die in het Belgische wielrennen te veel van het eerste en te weinig van het tweede zien, helaas.

Mocht Jens Debusschere of Greg van Aevermaet, nu zondag, na om en bij 300 kilometer koers, aan de eindmeet van de “Primavera” ook eens spurtles geven, dan pas zou de nominatie “stunt” op haar plaats zijn, en kan met het wierookvat gezwaaid worden. Het is tenslotte al vierendertig jaar geleden dat Fons de Wolf, geboren Belg, de lenteklassieker won. Vóór hem rondde Roger de Vlaeminck zijn drieluik overwinningen in Milaan-Sanremo af, in 1979. Sprekend over hem, en zijn palmares, kunnen we ons moeiteloos zijn cynisch glimlachje voorstellen bij lectuur van het ronkende proza over de tot “stunts” opgeklopte Belgische prestaties in de Tirreno-Adriatico. Als hij het al allemaal leest. De Vlaeminck mag dan bekend staan als “mister Parijs-Roubaix”, hij draagt ook de eretitel “mister Tirreno”, met recht en reden. Hij won de Italiaanse rittenkoers tussen 1972 en 1977 liefst zes keer op rij! Dat is andere koek dan één enkel ritje in één enkele editie winnen. Ondanks die onvervalste, waarachtige stunt schatte De Vlaeminck zijn half dozijn eindzeges niet eens zo hoog in als zijn enige eindwinst in de Ronde van Zwitserland in 1975. Wielerjournalisten van toen spraken hem niet tegen.

Een onwaarschijnlijke reeks topprestaties van een wielergeneratie door het fenomeen Eddy Merckx aangevoerd, werkte het relativeren ervan in de hand. Een ritzege in de Tirreno-Adriatico of in Parijs-Nice was voor wielerjournalisten van toen een voetnoot in het koersverhaal. Vandaag is het een verhaal op zich. En wat voor één, voor wie het opgeschroefde klatergoudtaaltje over een “stunt” ernstig neemt! Echter, we zouden Debusschere en Van Aevermaet onrecht aandoen, mochten we hun prestaties in de Tirreno-Adriatico niet naar waarde schatten. We doen dat stellig en gemeend, zij het naar hun echte waarde op de hiërarchische ladder. Dat is niet de “stuntwaarde” die velen er in hun drang om te scoren in zien. Er zit waarheid in het gezegde dat generaties topsporters niet met elkaar vergeleken kunnen worden. Blijkbaar geldt dat ook voor generaties sportjournalisten.