Hitler und kein Ende

Een paar maanden geleden verscheen het eerste deel van een nieuwe biografie over de Führer. De auteur, de Duitse historicus Volker Ullrich, schat het aantal boeken over het Derde Rijk op ongeveer 120.000, en nog altijd stopt de stroom niet. Integendeel. Zeventig jaar na de oorlog blijft Hitler nog steeds mensen fascineren.

Altijd meer

Ook uw columnist. Ik was zestien jaar, en een jaar eerder, na mijn lagere humaniora, had ik de meesterlijke Napoleonbiografie van Jacques Presser gekregen. Het eerste boek dat ik zelf kocht, met mijn weinige spaargeld, was “Hitler” van de Brit Alan Bullock. Zwarte Beertje Pocket, 50 frank. Een rib uit mijn lijf, maar wat een goede investering, want ze leerde me dat je met geschiedenis je brood kon verdienen. In 1998 en 2000 verschenen de twee delen van de uitstekende Hitlerbiografie van de Brit Ian Kershaw. Gevolg: niet minder maar nog meer Hitlerstudies, want op sommige punten had de Brit wat onderzoeksvragen en dus stortte een meute historici zich op de minder bekende puntjes. In zijn inleiding geeft Ullrich een klein voorproefje van wat er sindsdien allemaal bij gekomen is, zoals de volledige dagboeken van Reichspropagandaminister Goebbels, de officiële akten van de regering-Hitler (zes delen) plus tientallen interessante boeken. En in de Duitse archieven liggen nog altijd onontsloten bronnen. (Dat klinkt niet zo raar. Tijdens mijn studie geschiedenis in de jaren zeventig las ik dat iets minder dan de helft van de bronnen over de Franse Revolutie al bekend zijn.) Zijn al die nieuwe studies de oorzaak dat Ullrich 960 pagina’s nodig heeft om het leven van Hitler tussen 1889 en 1939 te schetsen? Deels wel, al legt de auteur er de klemtoon op dat hij geen revolutionaire nieuwe interpretatie verdedigt maar wel aanzienlijke nuanceringen aanbrengt.

De mens Hitler

Ullrich zoekt met veel geduld naar de mens Hitler. Zijn voorgangers Bullock, Fest en Kershaw noemden de Führer een ontworteld iemand, een persoon zonder binding, een lege huls die zonder politiek niet bestond. Ullrich betoogt dat Hitler wel een privé-leven had, zoekt voortdurend naar getuigenissen die zijn thesis ondersteunen en hij vindt vrij veel sporen terug. Hitler had wel degelijk vrienden; in ieder geval tot het moment dat de oorlog hem volledig opslokte. Vooral de “alte Kämpfer”, de mannen uit München met wie hij de NSDAP groot maakte, hoorden daartoe. Dat waren meestal nobele onbekenden zonder hoge politieke ambities. Goebbels kon razend zijn (jaloers ook) wanneer hij zag hoe ontspannen Hitler zich bij hen gedroeg, hoe hij kon lachen en grappen maken met die mensen die niets van hem nodig hadden; hoe het aureool van de alwetende verdween en hij mens tussen de mensen werd. Ullrich vestigt de aandacht op Hitler en de dames die rond hem cirkelden. Ja, hij was geremd. Tijdens zijn frontjaren nam hij niet deel aan de permanente soldatenvuilbekkerij. Waarschijnlijk had hij eerst vrij laat seksuele contacten. Zelfs Ullrich kan niet zeggen of hij ooit een seksuele relatie had met zijn halfnichtje Geli (waarschijnlijk niet) of met Eva Braun (waarschijnlijk wel), maar hij vestigt de aandacht op die hele kring vrouwen waar Hitler uren kon mee kletsen, die hij innam met charme en hoffelijkheid en die hem op hun beurt zachtjes naar betere kleding en salonetiquette stuurden. En die vrouwen zwermden niet rond de machtige Führer maar rond de leider van een klein en onbelangrijk partijtje dat volkomen vergeten was geweest als de depressie van 1929 hem niet naar boven had gestuwd. De latere paladijnen Göring, Himmler en zelfs Goebbels behoorden niet tot zijn intieme vriendenkring, die altijd welkom was op zijn Berghof. De heren uit die kring logen na de oorlog dat zij zich daar dood verveelden; tot verontwaardiging van hun vrouwen, die natuurlijk niet het gevaar liepen in een geallieerde gevangenis te belanden. Een andere eigenschap van Hitler was zijn fenomenaal geheugen. Hij vergat haast nooit de naam en de functie van iemand die hij ontmoet had. Een kapitale eigenschap voor een politicus: spontaan iemand herkennen en geen secretaris nodig hebben die hem influistert wie wie is. Dat geheugen was de schrik van zijn generaals en zijn ministers, want ze konden hem niets wijsmaken. Meestal kende hij hun legers tot het laatste bataljon, hun ministeries tot het kleinste bureau. Hitler was een modern iemand, met een gulzige interesse voor techniek. Hij discussieerde tot in de kleinste details over vliegtuigen, kanonnen en tanks met de ontwerpers, die hem als één van hen beschouwden. Hij kon zelf niet autorijden, maar er was geen onderdeel van een nieuwe Mercedes dat hij niet kende.

De geniale toneelspeler

En dan waren er nog de twee eigenschappen die hem ook in de politiek van pas kwamen. Ullrich zegt dat hij een geniale toneelspeler was, die voortdurend de rol vertolkte die de gesprekspartner op prijs stelde tot die altijd te laat opmerkte dat hij in de maling genomen was. Hij citeert de vele medewerkers die zich na de oorlog afvroegen in hoeverre die geregelde razernijbuien – desnoods met het schuim op de lippen – echt of gespeeld waren. Een keiharde leugenaar was hij ook, die met een snelheid en een totale gewetenloosheid beloften deed en leugens vertelde waar zijn tegenstanders bijna altijd intrapten, omdat men zich niet kon indenken dat een politicus zo zwart op wit in iemands gezicht durfde liegen. Meestal amuseerde hij zich achteraf bijzonder goed met de naïviteit (of het fatsoen) van de tegenpartij. Keihard en wraakzuchtig was hij ook. Als soldaat had hij genoeg bloed gezien om tijdens zijn opgang niet op een lijk meer of minder te kijken. Ullrich beklemtoont dat het politieke parcours van Hitler een hindernisloop vol improvisatie was, die hij achteraf altijd voorstelde als een planmatig doel. Vernieuwend is Ullrich als hij het heeft over de relatie van Hitler met rijkspresident Paul von Hindenburg. “De Boheemse korporaal”, zoals Hindenburg hem omschreef (hij verwarde Hitlers geboorteplaats met een gelijkaardig plaatsje in Bohemen), pakte de president op de kortst mogelijke tijd in en hij kreeg vlug diens graag gegeven steun om de democratie in Duitsland de nek om te wringen. Ullrich beschrijft in het lang en het breed de tragedie die over Europa kwam, omdat de Duitse rechterzijde Hitler dacht in te kapselen met een kanseliersfunctie op het moment dat zijn partij een zware nederlaag had geleden, financieel aan de rand van de afgrond stond (de NSDAP was niet de partij van het grootkapitaal) en de economie weer aantrok. Maar om het parlementaire regime te breken, wilde rechts zelfs met de symbolische duivel samenwerken. Op vier maanden tijd merkte rechts dat ze de echte duivel binnengehaald had, die zijn hordes losliet en hen evengoed wegveegde. Hitler was een geniale improvisator en een gokker, maar wel eentje met ogen in de rug. Hij geloofde lang, en terecht, niet in de actiebereidheid van Frankrijk en het VK, want ook de elites daar hadden in de Eerste Wereldoorlog vreselijk veel familieleden en vrienden verloren. Hij wist dat hij voorzichtig moest zijn op het thuisfront. Hij kende de afschuw van zijn volk voor een nieuwe oorlog. Maar in al zijn improvisatie verloor hij nooit de twee absolute doelen uit het oog die hij al in Mein Kampf formuleerde: de verdrijving van de Joden en de verovering van Midden- en Oost-Europa. Zijn generaals kregen al in 1933 zijn oorlogsdoelen te horen. Ullrich sluit dit eerste deel terecht af aan de vooravond van de inval in Polen. De tijdgenoten en de historicus merken op dat de triomfen van 1936 (liquidatie van het Verdrag van Versailles), 1938 en 1939 (inlijving Oostenrijk en Tsjechië) ertoe leiden dat Hitler in zijn eigen genialiteit begon te geloven, niet langer luisterde naar adviezen en bereid was steeds hoger in te zetten, tot de onvermijdelijke val.

Jan Neckers