Neuzenneuzen

Mensen bespieden, is niet mijn gewoonte. Toch deed ik het, toen ik mijn bank van het Noorderterras naderde en zag dat er al iemand opzat. Niets bijzonders, dat gebeurt dikwijls. Maar ik vond dat de man die er zat, vreemd deed. Spichtig keek hij om zich heen. Toen hij merkte dat niemand op hem lette, haalde hij een doosje uit zijn zak, doopte er de punt van zijn wijsvinger in en streek zachtjes bezijden zijn neus terwijl hij naar de binnenkant van het deksel keek. Waarschijnlijk zat daar een spiegeltje. Hij smeerde aan beide kanten.

Een man die zich op het Noorderterras zat te schminken! Dat was ik nog nooit tegengekomen. Ik besloot naast hem plaats te nemen en vlug moffelde hij het doosje weg.

“Ik heb het gezien”, zei ik.

“Het is een vervelende zaak, meneer. Je moet niet denken dat ik iemand ben die zich zomaar schminkt. Het is noodzaak.”

“Iedereen is vrij”, zei ik.

Tegelijk merkte ik wel dat, uitgezonderd de zijkanten van zijn neus, nergens iets zat wat mogelijk op schmink kon wijzen.

“Heel vervelend, je moet het maar tegenkomen”, zei hij. “Tot nu toe ben jij de enige die merkt wat ik doe aan mijn neus. Enkel twee fijne verticale streepjes links en rechts van mijn neus. Bij verandering van weer kunnen die hevig rood of spierwit worden. Vandaar die ingreep. De mensen kunnen je zo aanstaren en dat is niet prettig.”

“Ik wilde jou niet in verlegenheid brengen”, verontschuldigde ik me.

“Geeft niks. Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht en dat is wat met mij gebeurde. Alleen gebeurde het ook letterlijk. Een jaar geleden kreeg ik een vreselijk ongeluk met de auto. Ik werd langs achteren aangereden door een lichte vrachtwagen en ik verloor de controle over het stuur. Mijn auto werd tegen een betonnen paal gekatapulteerd.”

“Maar je bracht het er levend vanaf.”

“God zij dank. Weken lag ik in het ziekenhuis. Lange tijd hielden de dokters mij in een kunstmatige coma. Ik spartelde erdoor.”

“Proficiat.”

“Het ontwaken was niet prettig. Toen eindelijk alle windsels werden verwijderd en ik in een spiegel mocht kijken, was het of de wereld stilstond. Ik zag een monster voor me.”

Ik trok mijn gezicht in een grimas.

“Bleek dat mijn neus vermorzeld was. Mijn hoofd leek wel een doodskop.”

“Pijnlijk?”, vroeg ik.

“Tegenwoordig stoppen ze je vol met pijnstillers, wat goed hielp. Meer nog. Gelukkig staat de geneeskunde zover dat ze mij zelfs een nieuwe neus konden bezorgen via plastische chirurgie. Er was heel wat werk aan de winkel. Het resultaat is boven elke verwachting.”

Ik blies van verbazing.

“Ik kan mijn neus weer in andermans zaken steken”, grapte hij.

“En je kan er ook mee in de boter vallen”, deed ik mee.

“De uitdrukking, geen knip voor je neus waard zijn, is bij mij niet meer van toepassing.”

“Je kan weer een fijne neus hebben voor zaken”, zei ik, en voegde eraan toe. “In alle eerlijkheid, niemand kan zien dat het niet jouw oorspronkelijke neus is.”

“Gelijk heb je. Mijn vroegere echte neus was niet zo mooi als deze. Een hele verbetering, duidelijk merkbaar op foto’s. Ik mag niet klagen. Begrijp je nu hoe het komt dat ik soms die nauwelijks merkbare littekens opzij van mijn neus probeer te verbergen?”

“Haal je nu weer een frisse neus als het koud is?”, vroeg ik.

“Zeker en vast. Ik kan met mijn neus in de boeken zitten. Ik kan weer doen of mijn neus bloedt en ik kan verder kijken dan mijn neus lang is. Ik kan zelfs langs mijn neus weg iets zeggen.”

“Let op”, zei ik. “Je mag je neus niet stoten.”

We bleven nog een hele tijd spreuken over neuzen ophalen. Bij het afscheid reikte hij mij de rechterhand.

“Laat ons liever neuzenneuzen”, stelde ik voor.

We wiebelden onze neuzen tegen elkaar en de voorbijgangers schudden onbegrijpend hun hoofd.

TdW