Geld (het; o; meervoud: gelden)

Misschien kiest een ruime meerderheid van de Brusselaars voor een Franstalige belastingbrief, wat ze uiteindelijk voor de schatkist ophoesten, is ondermaats. Franstaligen hanteren te vaak een denktrant uit het verleden en Vlamingen hebben de ongezonde reflex om hierin mee te gaan. Misschien moeten de dingen maar eens door een andere invalshoek bekeken worden?

Het is iets waar het FDF in haar gloriedagen steevast voor had getekend. Een bewijs, zwart op wit, dat Brussel voor meer dan 90 procent Franstalig is. ‘Brüssel Vlaams’, het spookbeeld, ligt verder dan ooit. Was het niet vader Harmel die zei dat de verfransing onomkeerbaar was? Het was een realistische vaststelling. Damals. Wie had toen ooit durven voorspellen dat de Brusselse realiteit zou evolueren tot wat ze vandaag is. Vanwaar nu dit cijfer waarmee Le Soir uitpakte? Men ging kijken naar de taal die de Brusselaars kiezen om hun belastingaangifte in te dienen. Meer dan 90 procent kiest hierbij voor het Frans. Heeft men aan Franstalige kant een punt om de stad voor eenzelfde percentage als Franstalig te omschrijven? In essentie niet… en toch ergens ook wel.

De eerlijkheid gebiedt dat de journaliste in kwestie één en ander nuanceert. Het betreft hier een taalkeuze in betrekkingen tot een publieke overheid, niet meer dan dat. Er zijn slechts twee mogelijkheden: Frans of Nederlands. Idem voor wie een nieuwe identiteitskaart of een bouwvergunning aanvraagt. Enzovoort, enzoverder. Dit is slechts één fractie van het taalgebruik in de hoofdstad. De realiteit is dat de ‘burgerlijke samenleving’ behoorlijk Babylonische trekjes heeft gekregen. Extra muros is de taal van Molière dominanter dan ooit, intra muros is het een… minderheidstaal. Stilaan begint dit ook aan Franstalige kant door te dringen. Men beseft dat inburgering – voor zover dat in de Brusselse context op macroschaal nog realiseerbaar zou zijn; een andere discussie – niet zomaar iets van de Vlamingen is. Het is een antwoord op de effecten van de opensluizenpolitiek die al jaren aanhoudt.

Maar ergens hebben zij die jubelen een punt. Om pragmatische redenen versterkt de positie van het Nederlands. Gedreven, niet door liefde voor Vondel, wel door de wens via een job een maatschappelijke vooruitgang te bewerkstelligen, leert een recordaantal ‘nieuwe Brusselaars’ Nederlands. Het succes van het Nederlandstalig onderwijs, ook al veegt men de vele keerzijdes deskundig onder tafel, is er een treffende illustratie van. Tot een politieke versteviging van de Vlaamse politieke partijen heeft dit niet geleid. Het is net andersom dan wat men zou durven verwachten: de jacht naar de allochtone stem is jaren geleden al ingezet. Niet andersom. Ook hier ontwaart men een discrepantie tussen de maatschappelijke positie van het Nederlands en de druk waaraan ze onderhevig is binnen de instellingen.

Hoeft dit een probleem te zijn? Niet noodzakelijk. Vlamingen hebben de onhebbelijke gewoonte zich vliegensvlug in het denkschema van de andere partij (noem die tegenstrever of tegenstander) te plaatsen. Zo graag schuiven ze Brussel als aparte entiteit (“région à part entière”) naar voor, zonder de bredere verbanden en wisselwerkingen met het ommeland te erkennen. Wat is het belangrijkste, het feit dat meer dan 90 procent van de Brusselaars voor een Franstalige belastingbrief kiest, of het feit dat het aanslagbiljet dat erop volgt maar een mager beestje is voor de schatkist? Wanneer we dit schrijven komt een, jawel, FDF-parlementslid met alarmerende cijfers naar buiten. Het aanhoudend vertrek van de middenklasse naar de brede Rand bezorgt Brussel een fiscale aderlating. Deze ontwikkeling maakt het onontbeerlijk dat de financiering van het gewest over enkele jaren weer op tafel moet komen. Laten we alvast wat meer aandacht aan deze financiële realiteit schenken, eerder dan mee te gaan in het anachronisme van bepaalde francofone rekenkunde.

KNIN.