10 - dezwijger1 (Medium)Satire voor blijmoedige lezers

Op 13 januari 1982, zowat veertig jaar na het eerste nummer van ‘t Pallieterke, verschijnt een tweede Vlaams satirisch blad, De Zwijger. Het slaat gensters gedurende tweeënhalf jaar.

Ik verlaat de Mosdijk in Lier met een trofee: drie jaargangen van De Zwijger, een bron van lol voor drie weekeinden. Bij een Lierse rei woont Fons van de Putte. Samen met dorpsgenoot, jarenlange makker en vennoot Herman van Hove was hij de uitgever was van De Zwijger. Het onderschrift van het nieuwe spotblad luidde: “Satire voor blijmoedigen”, een goochem motto, dat de taalvirtuositeit van hoofdredacteur en woordkunstenaar Johan Anthierens verraadt. Fijnproevers smulden, harde knapen keken glazig. De Zwijger zal nestelen in de Zwijgerstraat van Schaarbeek, nabij de botte building Berlaymont van de Europese Commissie.

Ter herinnering: 1982 is het jaar van het verzet tegen de kruisraketten, van Wilfried Martens, Daniël Coens, Willy de Clercq, Hugo Schiltz en Jan Lenssens in de Wetstraat en in het buitenland president Ronald Reagan en CSU-voorzitter Franz-Josef Strauss.

Het nummer 1 van de eerste jaargang blaft op bladzijde 1 – er zijn er twaalf – naar de autojournalisten. Het autosalon 1982 opent de deuren en de satiricus plaatst de kop “Een pers aan banden” boven de executie. Hij ziet een club van gemuilbande autojournalisten, een reidans van public relations, mooie vrouwtjes, hapjes, bubbels en getater, met aan de staart een zeemzoet stukje kreunend onder de nonsens. De sleutelzin van de commentaar is: “Op een autosalon is er geen nieuws, alleen PR-drek”, of woorden van die strekking.

In de geloofsbelijdenis van De Zwijger, en die hoort bij een eerste nummer, staat: “Wij zijn geen intellectueel blad, geen blad in de marge, geen blad voor de franje, wij zijn een rasechte straathond, opgetut in voorkomen, maar een allemansvriend. Onze grote betrachting is onder meer naar ‘t voorbeeld van ‘t Pallieterke (nvdr. vrienden van toen, een dikke merci) en Le Canard Enchaîné een brééd publiek te bereiken.”… “Publicaties die hun lezers vleien, verachten hen binnenskamers, media die naar de mond mummelen beschouwen u als snot, vandaar het geslijm.”

De Zwijger belooft in zijn eerste druksel: “Wij nemen geen advertenties op, wij zijn tegen jagers, wij zijn tegen dierenvrienden…” Over de binnenlandse politiek luidt het: “Wij wachten af, we zijn niet links, we zijn niet rechts, wij hellen over en weer, een satirisch blad is behoedzaam van nature, wij willen niemand kwetsen, stellen ons mild op. Wij zien deze regering ‘t lang uitzingen. Achter De Clercq staat de kerk, achter Martens Vijf staat Martens’ wijf. Dat zit gebeiteld.”

De feestfoto in zwart-wit achteraan toont een ploeg van elf mensen: acht mannen en drie vrouwen, een mix van schrijvers, cartoonisten en klerken. Johan Anthierens, dan 44 jaar, zit bescheiden aan de zijkant. Achter hem stralen onder meer Guillaume van der Stighelen, later succesvol reclameman bij Guillaume-Duval, en Dirk Vandersypen, na zijn danspassen als satiricus een razende reporter en documentairemaker in Latijns-Amerika en te vroeg aan kanker overleden.

De Zwijger was een kweekbed voor nieuwe pennen of pennenlikkers die een tweede leven zochten en bekende of bleue tekenaars: Hilde Geens, Raf Sauviller, Georges Ade, Jan Blokker, Herman Brusselmans, Tom Lanoye, Brigitte Raskin (schuilnaam Brelle), Wim Goot, Jan van Riet, Quirit en ZAK. Fons van de Putte: “Johan was graficus van opleiding en had een zeer goede kijk op en hoge eisen voor de cartoonisten.”

De eerste De Zwijger werd gemarineerd in bier en toespraken in de Ancienne Belgique. De Volksunie-coryfeeën Willy Kuypers en Walter Luyten – van Berlaar en een huisvriend van de uitgevers – zongen, plezant beneveld, bij het einde van het doopfeest aan de uitgang geuzenliederen. De Zwijger was voor hen het blad van de revolutionair van de Lage Landen, Willem de Zwijger, maar die verdween, buiten de signatuur Willem, prompt uit het DNA van het satirische weekblad.

Bij de voorstelling van De Zwijger proefde Fons van de Putte een sfeer van lichte ontgoocheling bij het publiek, zo van “is het maar dat”: “Er waren geen proef-edities gemaakt, het gekozen glanzend papier oogde te luxueus. Er volgden nog een twintigtal probeersels, wel telkens wat beter. In feite was het dramatisch: die eerste nummers werden gestuurd naar ruim 50.000 fans die gratis een proefabonnement hadden aangevraagd. De Zwijger stond dus twintig weken lang in zijn hemd ten aanschouwe van zijn voltallige doelpubliek. In vaktaal: een geflopte start, nooit meer goed te maken.”

De startoplage van om en bij 100.000 kalfde gaandeweg af tot beneden 20.000 en naar ongeveer 5.000 in het derde jaar. “Na die eerste maanden van stuntelen werd het blad steengoed”, zucht Fons, “een monument van literair en grafisch expressionisme.”

De uitgevers

De uitgevers – of eerder financiers – van De Zwijger, Herman van Hove en Fons van de Putte, zijn samen jong en onbezonnen in Berlaar-bij-Lier, ze wonen er allebei in dezelfde Itegembaan, ze geven er in hun tienertijd al een (gestencild) dagblad uit en ze richten er de “Ronde van Berlaar” in. Johan Anthierens beschreef het verhaal van hoe het groeide met één zin: “Ze horen bij elkaar als de glazen van een bril.” Herman en Fons zwalpen na de middelbare school wat rond als zelfstandigen, tot zij in 1969 de Nederlandstalige rechten kopen van een Duitse cursus voor beleggers. Het duo sticht het “Instituut voor Vermogensbeheer”, het latere Biblo. In 1971 volgt Swingtrend, het allereerste beurs-adviesblad in België (nu heet het Inside Beleggen). Ondanks zichzelf en tegen wil en dank groeit Fons van de Putte uit tot de beursgoeroe van de prille jaren zeventig. Vooral omdat hij in Knack zijn wekelijkse beursrubriek (Knack-trends) uiteindelijk laat uitgroeien tot het nieuwe economiemagazine Trends. Daarin ondertekent Fons in elke editie zijn veelgelezen “Brief aan de belegger”. In 1976 starten Fons en Herman met de Franstalige tegenhanger van Trends en ontstaan er tal van initiatieven, hand in hand met Roularta (uitgever van Knack, Trends, Sport Magazine, De Streekkranten, later VTM…). De vriendschap met de baas van Roularta groeit (hij zal in 2003 Biblo overnemen). Na uitgeefsuccessen als Fiscoloog en Trends Top 10.000 verhuist Biblo naar  Kalmthout, in één van de eerste vindingrijke bedrijfsgebouwen van de toparchitect Bob van Reeth. De heren zien na de beginjaren van broodkorsten zonder confituur hun portemonnee zwellen. Herman en Fons willen goed leven maar niet in de poen verstikken. Zij huldigen de levenswijsheid van Wolinski van Charlie Hebdo, “Je ne veux pas mourir idiot”. (Wolinski werd op 7 januari 2015 vermoord, neergekogeld door moslims.) De magere jaren zijn voorgoed voorbij. Het lanceren van nieuwe bladen is een tweede natuur geworden. In 1981 evolueert een toevallig contact met Johan Anthierens tot gesprekken over een nieuw weekblad ten huize van Herman van Hove. Een spannende periode. Want was niet Anthierens het goudhaantje – als Ooggetuige – van het weekblad Knack van vriend De Nolf? Een bijna onoverkomelijk pijnpunt.

Later bleek dat nog best van een leien dakje te lopen. Het vinnige haantje durfde bij Knack al eens kippen met gouden reclame-eieren af te schrikken door zijn soms al te onafhankelijke Ooggetuige-verslagen. Wijlen Frans (Sus) Verleyen was er wél door geraakt, want hij verloor zijn poulain, zijn beschermeling, de anarchistische pen waarvoor hij een vrije zone had bevochten in “zijn” Knack. En Sus stak een waarschuwende vinger uit naar de uitgevers: “Ik zeg u, Johan kàn dit niet, zo een blad leiden.” Maar toch ging de geschiedenis haar gang. Om De Zwijger uit te geven, werd een nieuwe vennootschap opgericht, “Het Stille Water”. “We wilden het satirische blad volledig gescheiden houden van onze andere uitgaven”, aldus Fons van de Putte.

Ook de jarige zeventiger die u in de handen houdt, vrijde de populaire Johan op. Bij het eten van witlof ten huize van de toenmalige drievuldigheid van ‘t Pallieterke, uitgever-zaakvoerder-hoofdredacteur Jan Nuyts, wordt gepolst: “En, Johan, goesting om mee te werken?” Het antwoord van Anthierens is (meldt hij in De Zwijger): “Dank, ik wil uw publiek niet wegjagen.” Tot vandaag circuleert echter ter redactie van ‘t Pallieterke de anekdote dat er twee ongesigneerde artikelen zijn verschenen van Johan. Zijn broer Jef leverde aan uw ‘t Pallieterke met kruiwagens scherpe teksten. Hij vormde de rechtse vleugel van de clan; Johan en Karel Anthierens (ook journalist) stonden links.

Waarom heette De Zwijger, toch gebrand op lawaai, spervuur en schokken het tonggebondene De Zwijger? Johan Anthierens ging op pelgrimstocht naar hét rolmodel: “Le Canard Enchaîné” in Parijs, een weekblad met vandaag honderd jaar in de buik en een oplage van een half miljoen stuks. Johan Anthierens in de eerste De Zwijger: “Onze titel is gedeeltelijk ontleend aan Le Canard Enchaîné. Frankrijk zegt niet alleen “canard” tegen een eend, maar men identificeert een krant met dat dier, een beetje denigrerend, vanwege het onbetrouwbare kwakkelnieuws. Het blad noemt zich spottend “De Geketende Eend”, terwijl het de anderen zijn die een molensteen meedragen. Zo wil De Zwijger mettertijd zijn naam oneer aandoen.”

Wat oormerkt het eerste probeersel? Een voorbeeld. Dirk Vandersypen onthult een “Moord in Kinshasa”, in juni 1981, op een Vlaams gezin – vader, moeder en hun twee zoontjes – van middenstanders, met een populaire en welvarende delicatessenzaak in de Congolese hoofdstad. Na enkele dagen wordt het onderzoek stilgelegd, want de daders komen uit de directe omgeving van president Mobutu. De ambassade en Brussel openen een doofpot en Dirk rukt zes maanden later het deksel weg. Dus, onthullingsjournalistiek van het puurste bloed.

10 - dezwijger3 (Medium)Ballroom van de Titanic

Johan was een Marlborosigaretten rokende, eenzame wolf, geen leider. Een lijdensweg ontstond voor de groep talentvolle mensen die hij had samengebracht. Politiek, en dat had in een blad van dat soort toch wel groot belang, was niet zijn kopje thee. Hij piekte met literaire hoogstandjes maar struikelde over de combinatie van satire plus informatie, die essentieel was. Anthierens had een pastoorke op zijn neus en hij wilde Vlaanderen, en zichzelf, bevrijden van de roomse greep op de hersenen en de seks.

Op 7 juni 1984 schrijft hij een bitter afscheidswoord in zijn laatste rubriek, Getuigschrift: “Lezer-abonnee, vandaag, maandag 4 juni 1984, heeft de pvba Het Stille Water, onze uitgever, de handdoek in de ring gegooid, bij de handelsrechtbank van Brussel de boeken neergelegd. De volksmond noemt zoiets faillissement, mensen met manieren zeggen faling, in de Tour de France heet dat “vliegende spurten”… In de luchtvaart heet een faillissement “Hallo, Papa, Tango Charly?”. Er zijn dus veel uitdrukkingen voor, maar het komt erop neer dat Het Stille Water verdronken is.” Dixit Anthierens.

Redactioneel ging het prima, is het navrante van de geschiedenis, aldus de hoofdredactionele uitzwaaier, maar commercieel bleven de lekken. Na het slotakkoord van Het Stille Water werd de patiënt omarmd door André van Halewyck, toen van Kritak, die De Zwijger cadeau kreeg voor 1 euro, maar Johan en kornuiten evenmin kon vlottend houden. ‘t Was van, adieu makkers van de blijmoedige satire.

Frans Crols


Vijf fouten

Fons van de Putte ziet vijf fouten die hebben geleid tot het korte leven van De Zwijger: “Ten eerste was niemand echt ‘uitgever’ van het blad. Dus werd die rol nauwelijks gespeeld. In feite kwam die functie de facto bij Johan te liggen, die – het moet gezegd – geniale promotieteksten produceerde en die tegen het einde het blad ook in een hele mooie vorm kreeg. Ten tweede, het blad moest niks opbrengen. De rol van aandeelhouder werd niet gespeeld en dus was er geen druk om De Zwijger leefbaar te maken. Ten derde, – de allergrootste fout – in het begin weigerden we reclame op te nemen. Die stommiteit hebben we met naïef enthousiasme samen volbracht, financiers én journalisten, omdat de mensen van “Le Canard Enchaîné” ons dat op het hart hadden gedrukt. Mét reclame kon je niet onafhankelijk wezen, oreerden de Fransen. En dat is juist, in Frankrijk; niet in Vlaanderen. Ten vierde, – nog een iets grotere fout dan de vorige – het nalaten van een vakkundige aanloopfase voor het verschijnen van nummer 1. Nooit werden nulnummers gemaakt, noch werd het doelpubliek getoetst. Ten vijfde, er werd te veel en te doeltreffende publiciteit gemaakt voor het verschijnen van het eerste nummer. Dat wekte te hoge verwachtingen bij een te groot publiek.”


Wie is Guy?

Het nummer twee van De Zwijger is profetisch; een kanonbal boldert tegen de blauwe borstkas van Guy Verhofstadt. Lees, proef en zie hoe de analyse van toen in 2015 geheel en onveranderd kan gemaakt worden: “Guy Verhofstadts carrière is altijd dubbelzinnig geweest: hij komt uit een liberaal nest waar zijn pa – een liberaal syndicalist – medewerker was van de Gentse PVV-baron Willy de Clercq. In 1972 hakt Verhofstadt als aankomend jurist en met het Liberaal Hoogstudentenverbond, PVV-leider Frans Grootjans en zijn centrumbeweging tot brandhout. In 1976 wordt hij gemeenteraadslid in Gent en het jaar daarop politiek secretaris van De Clercq. Dubbelzinnig omdat men niets fundamenteels kan veranderen aan een machinerie waarin men zelf een radertje is. Dat heeft De Clercq goed begrepen. Hij heeft zijn protegé theorieën laten spuien en hem tegelijk mee laten tekenen voor de dagelijkse PVV-politiek.

Ook Verhofstadt heeft onderhandeld over het jongste regeerakkoord dat rijken rijker en de armen armer zal maken. De belastingen zullen dan wel niet verhogen, maar er zal bespaard worden, in de sociale sector, in de openbare sector. Om zoiets rechtvaardig te laten gebeuren, had Verhofstadt zogenaamde “negatieve inkomstenbelastingen” (dus toelagen van de overheid) voorzien. En daar heeft de overheid geen geld voor. Wat van Verhofstadts radicaal liberalisme nog overblijft, is het harde economisch-liberalisme van de vrije markt.

Grootjans noemt hij nu een voorloper van zijn vernieuwingsbeweging, de vroeger verguisde conservatieve econoom Milton Friedman staat bij hem weer in de gratie en alhoewel hij ooit bezwaren had tegen parlementsleden die ook in vakbonden actief waren, vindt hij het nu normaal dat baas De Clercq nauw verbonden is met bijvoorbeeld UCO, IPPA en de Société Générale. Ieder voor zich en Verhofstadt als zandmannetje voor allen.”