04 - Huts kasteel Parrin drie IMG_2584 (Medium)Fernand Huts is de belichaming van leuzen van ‘t Pallieterke: vrank en vrij, én, wat niet lachend kan gezegd worden is de waarheid niet. ‘t Is geen toeval dat Katoen Natie, dertig jaar geleden een Antwerpse kmo, vandaag groeit en bloeit in vijfendertig landen.

Weinig bedrijven hebben een bijbel van 95 bladzijden met 300 cartoons voor alle medewerkers. Katoen Natie is een vrolijke, winstgevende en groeiende Vlaamse multinational met twaalfduizend medewerkers in vijfendertig landen, waarvan dertig procent in Vlaanderen. Fernand Huts en zijn echtgenote Karine zijn respectievelijk voorzitter en ondervoorzitter van de grootste onderneming van België in de maritieme en logistieke sectoren. Op 11 juli wappert de Vlaamse Leeuw op de honderden adressen van Katoen Natie op alle continenten.

We zitten in zijn Vlaamse kantoor, bij een landelijk kasteeltje in het Waasland. Rechts voor Fernand Huts, die 65 wordt, torent een stapel inkomende post. “Potverdorie, geen ‘t Pallieterke van deze week. Wie is ermee schampavie”, lacht hij. Noordoostelijk van Sint-Gillis-Waas happen de havendokken in de polderklei. De baas van Katoen Natie bouwde een Antwerpse kmo uit tot een internationaal logistiek- en dienstenbedrijf. De sinjoor met Haspengouwse familiewortels – geen detail, het kenschetst de man die getogen is in de volkse Dambruggestraat en het Sint-Jansplein bij Antwerpen-Noord – woont op een buiten bij Sandwich in het graafschap Kent van het Verenigd Koninkrijk. Hij is burger van de wereld, echter: “Ik houd van het platteland, de jacht, het erfgoed en van de geschiedenis. Sandwich, de middeleeuwse havenstad van Engeland, verzandde in de late middeleeuwen, maar kende een wederopbloei door Vlaamse wevers die er schuilden tijdens de godsdienstoorlogen in de Lage Landen. Het ligt dichter bij Vlaanderen en Antwerpen dan je denkt.” Fernand Huts pendelt naar de koekenstad met een helikopter – bestuurd door een zoon, ex-officier bij de paracommando’s -, via de auto-shuttle onder het Kanaal, of de ferry Calais-Dover, of per Eurostar met aankomst en vertrek in Ashford bij Canterbury, de dichtste stad bij zijn woonplaats. “In Londen”, lacht Huts, “kom ik alleen voor de solden.”

De boerenaard, de werkkracht en de studentikoziteit van Fernand Huts kneedden het kleine Katoen Natie (grootvader en vader Huts waren natiebaas en die havenjob zat geheid in de handen van mensen die paarden en karren langszij oceaanstomers konden manoeuvreren), tot een wereldbedrijf in het laden, lossen, stockeren en verrijken van scheepsgoederen: “Humor, een grap, een feest, een gezamenlijke reis, een poets, een fopperij, een mop tappen, als je dat in de praktijk van een onderneming kan inbouwen, heb je een reusachtige hefboom in handen. Men kijkt er langs de buitenkant met ongeloof en kritiek naar, maar het werkt. Wij koesteren en stimuleren een pallieteriaanse bedrijfscultuur. Niet om meer omzet en winst te maken. Neen, het zit in de natuur van Katoen Natie. Die natuur heeft ons gebracht tot een forse groei, jaarlijks nieuwe initiatieven, een aangename verhouding tussen alle lagen van de onderneming die gericht is op samenwerking, op antwoorden zonder veel hiërarchische wissewasjes op problemen, op betrouwbaarheid en geloofwaardigheid voor onze klanten. Zij waarderen onze prestaties en hoogwaardige dienstverlening en schuiven na de volbrachte job graag mee aan tafel voor spijs en drank. De klanten weten dat de zot al lachend de waarheid zegt. Onze informele structuur is sterker dan onze formele structuur. Vorig jaar reisden wij, op kosten van Katoen Natie, met honderdzeventig medewerkers met vier bussen voor twaalf dagen naar Italië. Er werd gegeten, gedronken, gewandeld, geroeid, gegrapt, gegierd en dat heeft niks dan goede gevolgen. Als er van een camion een wiel afdraait dan helpt ook de bureauchef, als hij beseft hoe dringend die is, met de reparatie. (lacht) De bedrijfscultuur van Katoen Natie is voorlopig geen thema geworden voor een artikel in Harvard Business Review of een doctoraat. Toch is onze bijbel, met cartoons van Dicky, die iedere medewerker ontvangt, plus de klanten en andere stakeholders, een hefboom voor onze zeer gezonde bedrijfsgemeenschap.”

De nar

“De nar is een grootse en geweldige figuur en vecht reeds eeuwen tegen de politieke correctheid”, aldus Huts. “Bekijk de Vlaamse schilderijen van de 15de en de 16de eeuw, overal staan de narren zij aan zij met de edelen. Aan het Bourgondische hof, bij koningen en bij keizer Karel was het hun rol om de hoogste gezagsdragers weg te houden van de schone schijn, de valsheid, de hypocrisie, de lafheid. Een nar schept onwennigheid, verhoogt de onrust, zegt klip en klaar waar het op staat. Ik voel mij zeer goed in een dergelijke rol. Een nar denkt niet conventioneel, is geen zeur. Door de kracht van Katoen Natie heb ik een grote vrijheid kunnen verwerven om te zeggen wat ik te zeggen heb, zoals ‘t Pallieterke het motto voerde, vrank en vrij. In “Het Narrenschip legt aan in Brugge, Gent en Antwerpen” van februari 2015 bewijs ik hoe noodzakelijk het is dat de Vlaamse havens structureel samenwerken en hoe daarvoor een aantal taboes in Antwerpen en Zeebrugge moeten verdwijnen. In 2010 verscheen “Vertelsels van een nar”, een loflitanie op dwarse kapoenen. Ik mag mij veroorloven luidop te zeggen wat vele anderen stilletjes peinzen maar niet kunnen zeggen. Zelfs in syndicale kringen zijn er mensen die maar al te goed beseffen hoe het statuut van de Vlaamse havenarbeiders de ontplooiing van de logistiek in onze havens belet.”

“In raden van bestuur haalt men mij niet graag binnen, want ik houd mijn mond voor niemand en dat valt daar nooit goed. Bij Dexia en Fortis klopten alle regeltjes van het “deugdelijk bestuur”, de “corporate governance”, maar zie wat er van die twee banken met in hun beleidsorganen verstandige mensen, die waarschijnlijk bloedserieus en braaf waren, geworden is. Een nar met een muts met belletjes naast de voorzitter van die twee banken had de ramp kunnen keren. Te veel mensen verslijten hun broek in raden van bestuur omdat ze niet durven zeggen waar het op staat. Katoen Natie weigert – als het niet anders kan, om politieke redenen doen wij het uitzonderlijk wel, concreet in twee gevallen – mee te stappen in “joint ventures”. Je kan dan moeilijk je partner terechtwijzen als hij er volgens jou verkeerde ideeën op na houdt. Dat vloekt met de etiquette en zo word je de dupe. Hoe goed het is om een nar te zijn, een speelvogel, bewees ons recente succes met de overname van de afvalverwerker Indaver. Wij kochten die specialist in concurrentie met internationale groepen, onder meer het Franse Suez, het Zweedse Wallenbergimperium, de Chinezen en de grootste Nederlandse private equity speler. Zelfs in De Tijd werd er kort voordien gemeesmuild dat het toch niet zou kunnen dat Katoen Natie die strijd zou winnen, want wij waren geen serieuze partij. (lacht uitbundig) Wie won? Wij. Hoera. Niet ernstig genomen worden door het establishment is een wapen.”

De dagelijkse columns van Kaaiman, de bikkelharde Koen Meulenaere, in De Tijd, werden een boek als nieuwjaarstraktatie in 2014 en 2015 van de krant en de bundeling werd gesponsord door Katoen Natie. Een ongebruikelijke en vermakelijke geste: “Ach, elke krant zou een journalistieke nar moeten voeden. Koen is zo scherp, zo leuk realistisch, maar hij en zijn soortgenoten zijn noodzakelijk tegen de façade, de bluf en de leepheid in het leven. Koen kijkt achter de aureolen naar de echtheid.”

Had Fernand Huts geen schrik van negatieve reacties op de steun aan Kaaiman? “Wat zou het? Tegenkanting kan mij bovendien geen fluit schelen. Ik sta voor mijn ding en als het moet, lever ik slag. Bijvoorbeeld, in de Vlaamse havens zijn er veel zaken die niet conform zijn met wat wel zou moeten. Symbolisch staat er op het terras van het restaurant van Katoen Natie een artistiek blauw kanon, gericht op het nieuwe, zeer dure havenhuis in opbouw van Antwerpen. De havendirectie heeft een historiek in het ons de duivel aandoen, maar wij reageren op zijn Pallieters, met een kunstwerk: lief, vredig en ludiek. Veel van de mensen die ons publiek bekritiseren, zijn dezelfde dames en heren die diep in hun binnenste beseffen dat Katoen Natie gelijk heeft.”

Wortels

“Familie en familiale wortels zijn in onze clan van zeer groot belang en die stamboom omvat de ouders, de grootouders en de verre familieleden,” vertelt Fernand Huts. “Waarom ben ik wie ik ben? Dat kun je enkel begrijpen door in je stamboom te klimmen. Het kan geen toeval zijn dat ik mij identificeer in mijn denken, mijn spreken en mijn werken met de nar, de aloude zotskap, met zelfspot, met een eigen levenstrant. Mijn vader was zoals ik, filosofisch en satirisch. Mijn moeder was de ernstige inbreng. Zij stamde van boeren van een Haspengouwse vierkanthoeve. Het aantal paarden en het aantal hectaren betekende daar alles. Het hof mocht onder geen enkel beding verbrokkeld worden en de huwelijken waren trucs om dat te verhinderen. Noem het verbindingen zoals bij de adel, die evenmin een verkleuring wilde van zijn blauwe bloed. Vader was van het Hageland, met zijn mengeling van zand en leem, en dat was een grensgeval. Mijn grootvader, op de vlucht voor de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog, kwam in Baardegem bij Aalst terecht. Op dat platteland was het niet bestendig vechten voor paarden en hectaren, neen, er werd hard gewerkt en hard leut gemaakt. Het carnaval van Aalst besmet ook Baardegem. Grootmoeder hield er een café open met een grote zaal voor vergaderingen, feesten, huwelijken en uitvaarten. Het plezier en de spotlust sijpelde zo binnen in die tak van mijn voorgeslacht. Ik heb dat werken en dat feesten in mijn DNA, bloedlijn en traditie. Een Haspengouwer laat geen gelegenheid voorbijgaan om bourgondisch te vieren. De oogst, de kermis, een huwelijk, een geboorte zijn geschikte gelegenheden om een beest te slachten, taarten te bakken op ’t hof en de verzorgde wijnvoorraad te ontkurken. Mijn zus kocht een traditionele hoeve in het Haspengouwse Neervelp, en daar feestte de clan Huts tijdens de jongste Pasen met rosbief en rundstong in Madeirasaus.”

Fernand Huts liep twaalf jaar school op het Sint-Jan Berchmanscollege, toen geleid door een kanunnik en een bataljon priester-leraren: “Ik heb geen enkele frustratie overgehouden aan die tijd. Ik begrijp niet wat veel progressieve mensen van mijn leeftijd drijft om te klagen en te zagen over het onrecht, de seksuele vernedering, het conservatisme van die klerikale omgeving. Mijn school was er niet enkel voor het onderwijs. Veel leraren waren druk bezig na de klasuren met film, turnen, literatuur voor en door de leerlingen. Elk jaar speelde ik mee toneel en voor vrouwenrollen ging ik niet opzij. Meisjes waren van een andere planeet, ook als Genoveva van Brabant moest ten tonele gevoerd worden in de schaduw van de Boerentoren. Sint-Jan Berchmans was een leefgemeenschap van twaalfhonderd leerlingen en leraren. School, amusement en vrijetijdsbesteding vielen samen. Ik was actief bij de KSA. Het lerarenkorps deed meer dan de scholieren technisch begeleiden. Je kreeg er inspiratie en mijn straathumor werd er gefatsoeneerd. Vandaag vult een leraar voor en na een papierberg in. Onderwijzen is voor bureaucraat spelen. Ik groeide op met de teksten en de muziek van Wim Sonneveld, Toon Hermans, Louis Verbeke, The Beatles, The Rolling Stones en ik las Simon Carmiggelt en Godfried Bomans. Uit mijn schooltijd ken ik “De Witte van Zichem” van Ernest Claes en romans van Hendrik Conscience, De Pillecijn en Buysse. Het splitsen van de wegen tussen traditie en nieuwlichterij kondigde zich wel aan. (lacht) De familie Houtekiet van Gerard Walschap leerde ik ook kennen, en ik zie daar trekken in van mijn stam en mijn temperament. De roman “Houtekiet” is een hoogtepunt van de Vlaamse letterkunde en Walschap toonde in 1939 een nieuwe mens die ik goed leerde aanvoelen in mijn laatste humaniorajaren en in Leuven. Houtekiet is een vrijbuiter: creatief, rechtvaardig, sociaal geëngageerd en ethisch. Ik zal niet beweren dat Katoen Natie gelijkt op het nieuwe dorp Deps, met zijn eigen regels, dat Jan Houtekiet begint op de heide, maar de symboliek van de Houtekiets raakt onze onderneming wel.” […] “De vijf jaar rechten in Leuven waren er voor de discussie, het pinten pakken, de vrienden, het nachtleven. Ook daar kwamen er andere tijden. Ik was preses van KVHV en van de faculteitskring Rechten, waar mijn tegenkandidaat Marc Justaert was. Hij zwaait op zijn 65 af als chef van de Christelijke Mutualiteiten en hij is duidelijk voor verandering. Zo zag ik toch met plezier in De Tijd, in een eerste afscheidsinterview op Paaszaterdag. Justaert verwerpt de dictatuur van de verworven rechten, en het eigen kamp zal daar niet mee gelachen hebben. Ik zag de Studentenvakbeweging ontstaan en Amada en de PvdA piepten uit progressieve voren. De universiteit leerde mij waar ik politiek sta, kort en goed is dat in het centrum, dus noch links, noch rechts.”

Links en rechts

“Die steeds maar weer opgevoerde tweedeling in links en rechts, en de zogenaamde overeenstemming van die scheiding met progressief en conservatief, vind ik onnozel. Progressief en conservatief zijn voor mij essentiële categorieën en ik zie hoe het merendeel van de zogenaamde progressieven zeer conservatief is. Neem ’t Pallieterke, dat gemakshalve door politiek correct conservatief wordt genoemd en dus het parfum van achterlijk moet dragen, wat het met plezier afschudt. Ik vind daarin wekelijks ideeën, teksten en tekeningen die het behoudende, doodse en mottenballige van vandaag op een riek prikken en wegwerpen. ‘t Pallieterke staat voor verandering, voor progressiviteit, voor de versterking van Vlaanderen.”

 

Fernand Huts kreeg aan de Vlerick Management School een douche van tucht, ernst en nieuwe inzichten: “André Vlerick was charismatisch, gedreven en kon lachen maar slechts binnen de lijntjes. Een pretmaker was hij dus niet, echter wel een fantastische organisator, een man met visie en ook van punten en komma’s, die zijn boetiek onder controle had. Ik moest wennen aan de tucht. Vlerick startte om 9 uur en ik sliep in Leuven tot 13 uur. De kennis sijpelt bij mij niet binnen langs mijn oren, eerder door mijn ogen, dus hoorcolleges waren voor mij tijdverlies. Bij Vlerick was de mengeling van de opleidingen van de studenten een zegen. Ik liep cursus met psychologen, ingenieurs, agronomen, economen en sociologen. De praktijkgevallen die moesten voorbereid worden, waren zeer nuttig voor het eerste firmaatje dat ik ooit begon, eentje in de toen nog avant-gardebusiness van de gezonde voeding, groente en fruit.”

“In 2015-2016 bestaat Katoen Natie 160 jaar en in juni beginnen wij met een viering die twaalf maanden zal duren. Er volgen veel kunstboeken, er zijn tentoonstellingen, we nodigen duizenden mensen uit om te feesten en ondergedompeld te worden in cultuur. Dat wordt een verbroedering van een jaar lang tussen al de stakeholders van Katoen Natie.”

Frans Crols