Ook in Frankrijk weten de media niets leukers te bedenken dan na zoveel jaren, uiteraard postuum, iemand met een beetje naam toe te voegen aan de grenzeloze lijst van de incivieken die fout waren tijdens de bezetting maar wier schuld pas door de jongste generatie speurders werd blootgelegd. Nu was het de beurt aan de architect-urbanist Le Corbusier. Dit jaar herdacht men de vijftigste verjaardag van zijn overlijden, en ineens lagen daar niet minder dan drie vuistdikke boeken klaar, waarin werd aangetoond dat de man die de “Picasso van de architectuur” werd genoemd, een collaborateur was, een fascist in hart en nieren. Kruisigt zijn gebeente!

Le Corbusier (1887-1965) werd als Charles-Edouard Jeanneret geboren in het Zwitserse La Chaux-de-Fonds en werd in 1926 tot Fransman genaturaliseerd. Sinds 1922 liet hij zich Le Corbusier noemen. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van zijn overlijden (hij verdronk tijdens een zwempartij aan de Azurenkust) werd in Parijs een naar het schijnt exquise, indrukwekkende tentoonstelling van zijn oeuvre georganiseerd (Centre Pompidou, tot 3 augustus), met een keuze uit de tienduizenden architecturale en urbanistische schetsen uit zijn nalatenschap. Het prachtige fotoboek “C’était Le Corbusier” (Fayard, 2009) blijft het sterkste aandenken voor liefhebbers. Zijn beeltenis werd gebruikt om de Zwitserse bankbiljetten van 10 Zwitserse francs te illustreren.

Maar goed, terzake nu. Inmiddels weet men dat Le Corbusier zo’n anderhalf jaar lang de adviseur  voor architectuur en urbanisme is geweest van maarschalk Pétain, die tijdens de bezetting de Franse collaboratieregering leidde, en dat hij in openbaar gemaakte brieven aan zijn moeder de joden tot “idioten” bestempelde en Hitler een grote meneer vond, die in staat zou zijn om Europa te “organiseren”. Toen de oorlogskans keerde, had hij het verstand om te zwijgen, zodat hij na de Bevrijding ongehinderd door kon gaan met zijn werk als architect van in hoofdzaak grote opdrachten, zoals het gebouw van de Verenigde Naties in New York en een parlementsgebouw in India, dat nog steeds bezienswaardig is.

De jaren twintig

Bekijkt men nu niet slechts de verwezenlijkingen van Le Corbusier maar ook zijn vele uitgetekende projecten, dan begrijpt men zijn affiniteit met totalitaire, autoritaire regeringen, vooral met Mussolini (die zelf een dictatuur schiep die naar vorm en stijl veel weg had van een kunstwerk), maar ook Stalin in diens beginperiode, toen het communisme een “nieuwe mens” leek te zullen scheppen. Vernieuwing, modernisme, dat waren in de jaren twintig de bezielende krachten van zowel fascisme als bolsjewisme, die jonge kunstenaars uit de hele wereld aantrokken, en waarin Le Corbusier meeging zonder ooit formeel ergens bij aan te sluiten.

De begrippen “links” en “rechts” zijn op een voorbeeldige wijze – d.w.z. dat zijn gebruik ervan als voorbeeld kan dienen – niet toepasselijk op het leven en denken van Le Corbusier. Hij bewonderde ordelijke staten, en zoals vele tijdgenoten had hij weinig respect voor democratische instellingen. Hij omringde zich met “linksen” en “rechtsen”, steunde de republikeinen en socialisten in de Spaanse burgeroorlog, en vond het maken van een onderscheid tussen politieke stromingen enigszins beneden zijn waardigheid als groot artiest. Hij verdedigt krachtig zijn vriend en leermeester Auguste Perret, tijdens de bezetting voorzitter van de collaborerende orde van architecten, maar na de oorlog de tekenaar en uitvoerder van het plan voor de wederopbouw van het door geallieerde bombardementen zwaar getroffen Le Havre.”De Franse architecten behoorden in grote meerderheid tot de aanhangers van Pétain en de collaboratie” aldus een vroegere biograaf van Le Corbusier, Paul Chemetov (in Le Monde, 30 april). Ook stelt deze auteur dat “ het anti-semitisme van Le Corbusier gemeengoed was” (son antisémitisme fut largement partagé).

In zijn geschriften uit de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog toont Le Corbusier zich een aanhanger van het purisme, dat in strak gespannen lijnen een “nieuwe orde” nastreeft in de architectuur, waarin logica en helderheid overheersen. Het is niet eenvoudig voor mensen van vandaag om zich te verplaatsen in de wereld van de tussenoorlogse jaren en te beseffen hoe groot het verlangen toen was naar orde. In alles keert dat terug en heeft geleid tot een grensoverschrijdende, heel-Europese triomf van de verschillende stromingen die deze gedachten uitdroegen. Voor hen die het wel meegemaakt hebben, had dat verlangen naar een nieuwe stijl, een soort nieuwe zuiverheid, dat de toenmalige jongere generaties in 1920-1940 kenmerkte, mogen uitmonden in iets  lieflijkers dan oorlog, wanorde, verscheurdheid en bitter realisme, en uiteindelijk de epuratie die alles vernietigde wat voordien in Europa was opgebouwd. Beulen met een nihilistische achtergrond werden machthebbers.

Een grote die geen joden lust

Het eenzijdige denken dat geen kleur onderkent tussen wit en zwart, geen houding tussen goed en fout, begint pas recentelijk ter discussie te staan. De wereld wordt opnieuw kleurrijk. Uit de reacties op de wel zeer late postume verkettering van Le Corbusier valt af te leiden dat men er genoeg van begint te krijgen, en dat de heersende cliché-taal wordt geschuwd. De boeken over het “oorlogsverleden” van Le Corbusier krijgen ironiserende besprekingen in de Franse pers. Marc Perelman, de gewaardeerde hoogleraar van architectuur als kunst, ook iemand met een Le Corbusier-biografie op zijn naam, durft te stellen dat grootheid niet in termen van goed en fout kan worden gemeten. In Le Monde  (17 maart) verdedigt hij, tegen het politiek correcte denken in, de stelling dat Heidegger een groot (immense) filosoof blijft, ook al was hij tenminste een tijdlang een nationaal-socialist en volgeling van Hitler. Zo ook is en blijft Le Corbusier “de Picasso van de architectuur”, ook al was hij een aanhanger van Pétain en al lustte hij geen joden.

Allen achter Pétain

Men vergete trouwens niet – men doet het al te gemakkelijk – dat in Frankrijk het bewind van maarschalk Pétain en dus de collaboratie in 1940 met een overweldigende meerderheid werd goedgekeurd in het vrij verkozen Franse parlement, dat het nieuwe bewind volmacht gaf om het land te besturen. Men vergete ook niet dat zelfs generaal De Gaulle zich schaamde voor de joden die hij tijdens de oorlog had opgenomen in zijn Londens hoofdkwartier. Ze mochten in geen enkele hoedanigheid naar buiten komen: men zou De Gaulle zo eens van sympathie voor de joden kunnen verdenken! Dit staat te lezen in de memoires van Robert Aron. Dezelfde massa die De Gaulle bij de Bevrijding triomfantelijk onthaalde in Parijs had nauwelijks enkele maanden voordien, in datzelfde jaar 1944, maarschalk Pétain een triomftocht bezorgd, toen hij de plaats bezocht waar een Amerikaans bombardement het leven had gekost aan 1.200 Parijzenaars.

Velen in Frankrijk hadden gedacht, met Le Corbusier, dat de oorlogskans in 1940 de gelukkige kant was uitgegaan, want zoals Le Corbusier aan zijn moeder schreef, als de democraten hadden gewonnen, dan had de rotzooi gewonnen (la pourriture triomphait). Men begrijpt de collaboratie niet als men met deze gevoelens van Le Corbusier geen rekening houdt. De nederlaag van 1940 werd niet gezien als die van een land, maar van een politieke klasse, die men verwerpelijk vond. Voor Le Corbusier en mensen als hij was niet 1944 of 1945 het bevrijdingsjaar, maar wel 1940. Alleen moesten ze dat nog tijdig weer vergeten.

MARK GRAMMENS