Fouché (1)

Naar aanleiding van 200 jaar Waterloo zal her en der het militaire genie van Bonaparte besproken worden. Toch dacht de Corsicaanse massamoordenaar al eens een dag niet aan het leger. Maar hij las iedere dag – zelfs als ie in Madrid of Moskou was – het rapport van zijn beruchte minister van Politie, Joseph Fouché.

De hoogintelligente opportunist

Zelfs na al die jaren staat diens reputatie van cynische, gevaarlijke en dodelijk efficiënte politieminister nog altijd als een huis. Joseph Fouché is de zoon van een kapitein uit Nantes, een slavenhandelaar die tijdens een reis sterft. De jonge, lange en uiterst magere Fouché bezit een briljant verstand; niet alleen voor woorden maar ook voor wiskunde en fysica. Hij kan dankzij de oratorianen onderwijs volgen, waarna hij leraar bij de kloosterorde wordt. De lekenleraars dragen wel het ordekleed maar kunnen altijd uitstappen. Vandaar de legende dat Fouché een uitgetreden priester is. Hij doceert op verscheidene plaatsen, onder meer in Atrecht, waar hij advocaat Maximilien de Robespierre leert kennen. Hij keert weer naar zijn geboortestad, waar het oratorenklooster inmiddels gesloten is, door de Franse Revolutie, en hij directeur wordt van het college dat de oude school vervangt. Hij liquideert het Latijn als schooltaal ten voordele van het Frans. Een hoogintelligente opportunist als Fouché ruikt zijn kans in een Frankrijk dat op zijn kop staat. Parijs brandt en de provincie volgt. Bij de verkiezingen voor allerlei nieuwe instellingen komt maar 10 procent van de kiezers opdagen, maar dat maakt de zaak niet van de revolutionairen. Na wat mislukte pogingen slaagt Fouché erin zich als lid van de Conventie – het nationale parlement – te laten kiezen. Hij krijgt … 266 stemmen. In Parijs valt hij onmiddellijk op door zijn prachtig Frans, zijn sluwheid en zijn werkkracht in de vele commissies waar hij lid van wordt. Fouché is geen volkstribuun die op het spreekgestoelte schittert. Zijn stem is te zwak omdat hij zijn hele leven aan een vorm van tuberculose lijdt, maar hij is in een tête-à-tête zeer charmant. Inmiddels is hij voor de kerk getrouwd met een brave burgerdochter die al even lelijk is als hijzelf. Het koppel krijgt zeven kinderen, van wie er drie zeer jong sterven. De man voor wie Frankrijk later beeft, is zijn hele leven een onberispelijk trouwe echtgenoot en een modelvader. Fouché heeft wel een neus voor de richting waaruit de wind waait. De revolutie wordt almaar radicaler, dus buigt hij mee. Hij is één van de 361 volksvertegenwoordigers die de onmiddellijke executie van koning Lodewijk XVI goedkeuren (tegenover 360 tegenstemmers). Fouché maakt definitief zijn naam als commissaris van het bewind.

De terrorist

Op het moment dat de jonge Franse republiek zowel van buiten- als van binnenuit bedreigd wordt, benoemt de Conventie afgevaardigden “pour assurer le bonheur du peuple avec le triomphe de la République”. In theorie moeten ze binnen bepaalde grenzen de rust herstellen en de republikeinse waarden vestigen in de provincies. In de praktijk houden ze vanuit hun ambtsgebied angstvallig Parijs in het oog. De linkse afgevaardigden (radicale maar geen socialistische bourgeois) onder de leiding van Robespierre krijgen de meerderheid in de Conventie en ze besluiten alle binnenlandse bedreigingen radicaal te liquideren met brute terreur. De commissarissen in de provincie willen dus niet onderdoen. Fouché heeft zo zijn eigen methodes. Als hij ergens aankomt, stelt hij zich eerst verzoenend op. Dan komt de stok achter de rug tevoorschijn. Hij laat wat koppigaards arresteren, stroomlijnt het bestuur van stad en regio, benoemt goede republikeinen, stelt rechters aan en engageert soldaten en gendarmes en beveelt dan om er met de grove borstel door te gaan. En op de veroordelingen tot de guillotine staan vervolgens de handtekeningen van zijn ondergeschikten. Eén jaar na zijn kerkelijk huwelijk begint hij een harde antigodsdienstige campagne en eist hij dat bijna dagelijks belachelijke republikeinse ceremoniën in de plaats komen. Hij laat de rijken de crisis betalen. Hij perst hen grote sommen geld af die hij naar Parijs zendt, al blijft er waarschijnlijk een flink bedrag aan zijn strijkstok kleven. Kortom, hij is de ideale man om tezamen met een collega commissaris te worden in het opstandige Lyon dat zijn republikeinse burgemeester heeft gedood. Het leger schiet, in afwachting van zijn komst, al een goed deel van Frankrijks tweede stad in puin, en de stad heet officieel niet langer Lyon maar Ville-Affranchie (Bevrijde Stad). In Parijs heerst de terreur en dus mogen Fouché en zijn collega er ook in Lyon met de vuile voeten doorgaan. Iedere verdachte heeft recht op een proces van maximum 8 minuten, veroordeling inbegrepen. Binnen twee maanden sturen de commissarissen 820 mensen naar de guillotine en laten ze 1.120 echte en vermeende tegenstanders fusilleren of groepsgewijs met kanonnen neermaaien; vier keer meer dan er op hetzelfde ogenblik slachtoffers vallen in Parijs. Bij de komst van Fouché telt de stad 130.000 inwoners; bij zijn vertrek volgens zijn eigen cijfers nog 80.000. De rest is gedood of gevlucht. En weer slaagt hij erin zich als gematigd voor te stellen, zodat zijn collega later de blaam voor de slachtingen krijgt en zijn dagen in de hel van Guyana eindigt.

De minister van Politie

Wanneer Fouché naar Parijs terugkeert, vertelt zijn politiek gevoelige antenne hem dat men geen groot land kan blijven besturen met terreur. Robespierre kent geen remmen meer en zendt op zeven weken tijd 1.500 mensen naar de guillotine, terwijl er 8.000 veroordeelden wachten in de gevangenis. Fouché neemt discreet contact op met de tegenstanders van de dictator, die begrijpt dat de gewezen oratoriaan hem in de rug schiet. Fouché duikt onder. Een paar dagen later slagen de vijanden van Robespierre erin de dictator op zijn beurt naar de guillotine te zenden. De reactie op de terreur verloopt ook niet zonder bloedvergieten en bij het nieuwe regime – het Directoraat – stromen de klachten toe. Dus duikt Fouché met zijn familie even onder, en hij krijgt het bevel om Parijs te verlaten. Naar de gevangenis moet hij niet, want hij weet te veel, al blijft hij discreet. Om zijn familie te onderhouden, gaat hij in zaken met onder meer de Zuid-Nederlandse bankiers Herries en Walckiers. Hij wordt rijk dankzij leveringen aan het leger; met dank aan Frankrijks belangrijkste politicus Paul Barras, die zo corrupt als de neten is. Barras is de man die Joséphine de Beauharnais – één van zijn vele afgedankte minnaressen – in de armen duwt van een jonge Corsicaanse generaal die honderden betogers tegen het Directoraat met kanonnen laat neerschieten. Als beloning mag Bonaparte een leger leiden om Italië te plunderen. Fouché maakt zich inmiddels als spion zo nuttig voor Barras, dat hij eindelijk weer tot de politieke cenakels wordt toegelaten. Na vier jaar proeft hij weer van de macht en in augustus 1799 wordt hij minister van Politie. Zijn bevoegdheid behelst de organisatie van de gendarmerie en de gewone politie over het hele grondgebied. Die politiemannen houden zich niet alleen bezig met moord en diefstal, maar ook met de opsporing van buitenlandse spionnen en vooral met het opstellen van dossiers over politieke tegenstanders van de machthebbers en eventuele arrestaties. Fouché is een harde werker. Hij schrijft een onvoorstelbaar aantal brieven met bevelen en vragen voor inlichtingen. Die verwerkt hij in een steekkaartensysteem en hij wordt de schrik van Frankrijk. Hij is de best geïnformeerde man van het land. Hij weet beter dan wie ook dat een aantal heren een staatsgreep tegen het corrupte Directoraat beraamt. Uiteraard hangt hij de huik weer naar de juiste wind. Dus verzet hij geen vinger tegen de succesrijke generaal Bonaparte en diens aanhangers. (Vervolg en slot toekomende week.)

Jan Neckers