Rubens moet blijven

Het was ver na middernacht toen ik, in het donker, over de Groenplaats liep. Veel lezers zullen zich afvragen: wat deed TdW in het holst van de nacht op de Groenplaats?

Ik kan antwoorden dat het alleen mijn zaak is, maar den Tee is beleefd opgevoed en als iemand wat vraagt, krijgt hij of zij antwoord.

Die middag had ik op het Noorderterras gezeten maar kreeg met niemand contact. De mensen liepen er ietwat nors bij. Vervelend als je kopij moet hebben.

De nacht daarop rinkelde thuis de telefoon. Ik heb een oudere zus, een weduwe, die in het hartje van het Schipperskwartier woont. Ze belde omdat ze thuis was gevallen en niet meer recht kon. Ik stapte in de auto en reed erheen. Met de reservesleutel van haar appartement kon ik binnen. Gelukkig viel het nogal mee. Ik bleef nog wat praten, dronk iets en beloofde dat ik de volgende dag kwam kijken. Terug naar huis.

Mijn auto startte niet. Brute pech! Met slaap in de ogen liep ik te voet langs de Groenplaats naar huis. Het was er muisstil. Geen kat, geen kip, geen hond! Verlaten plein. Bijna een beetje beangstigend.

Tot mijn grote verbazing zag ik dat het standbeeld van Rubens weg was.

“Verdomme”, mompelde ik. “Bronsdieven hebben hem gestolen.”

En toen zag ik dat hij, in plaats van op zijn sokkel te staan, neerzat. Hij had een triestige uitdrukking op zijn gezicht.

“Wat scheelt er?”, riep ik naar boven.

“Poeh…”, blies hij. “Slecht nieuws.”

Ik kreeg een stijve hals van het naar boven kijken. Hij reikte mij zijn hand en trok me omhoog. We zaten naast elkaar op de sokkel.

“In de krant staat dat ik hier moet verdwijnen”, zei hij.

“Rubens, man, dat gaat nooit gebeuren. De Groenplaats zonder jou zou de schandvlek van Antwerpen worden. Jij staat hier al 172 jaar.”

Hij zuchtte heel diep.

“Het heeft heel wat moeite gekost om jou hier te krijgen. Dat weet jij toch”, zei ik.

Hij gromde wat en daarom praatte ik voort op hem in. “Beeldhouwer Willem Geefs kreeg de opdracht jouw beeld te maken, als eerbetoon aan de grootste schilder aller tijden. Geen enkele huidige schilder is die eer waard. Hij maakte het beeld in gips. In Luik zou het in brons worden gegoten.”

Bij die woorden tikte ik op zijn bronzen arm.

“Zwijg er stil van”, zei Rubens. “In Luik konden ze goed werken, amai. Ik kwam niet eens tijdig klaar voor de onthulling in 1840 op een pleintje aan de Schelde. Ze besloten daarom het gipsen model van Geefs te gebruiken. Bij het vervoer brak dat echter in stukken.”

Ik knikte medelijdend.

“Een flauwe plezante, een Antwerpenaar, maakte daar zelfs een spotdicht over”, gromde hij. “Ik ken het uit het hoofd. ‘Burgers van Parijs en Londen, ’t beeld van Rubens is in gruis, en de feesten zijn geschonden, en daar lopen razende honden, blijf gerust maar liever thuis.’ Plezante sinjoren waren dat toen.”

“Geefs had nog een tweede gipsen model”, wist ik. “De geplande onthulling kon dus toch doorgaan.”

Rubens schudde zijn hoofd en zei: “Omdat het bronzen beeld in Luik op zich liet wachten, begon dat gipsen model stilaan te verbrokkelen. Er werd een hok om mij gebouwd. Ze zeiden spottend: Rubens zit in zijn kot. Drie jaar zat ik opgesloten.”

“Het is toch goed gekomen. Op 5 augustus 1843 kreeg jij als onze grootste schilder een ereplaats op de Groenplaats, in volle glorie. Zevenduizend kilogram weeg je. Zes paarden moesten de kar trekken waarop je stond. Op 9 augustus werd er feest gevierd. De voorgevels van de huizen waren verlicht en de beiaard speelde.”

Er liep een bronzen traan over zijn wang. “En nu moet ik waarschijnlijk hier weg.”

“Ik sticht de beweging ‘Rubens moet blijven!’”, beloofde ik.

Hij dankte me, hielp me van zijn sokkel en ik geraakte heelhuids thuis.

TdW

PS: Ik zweer op het hoofd van Rubens dat ik die nacht bij mijn zus maar één glaasje Spaanse brandy heb gedronken.