Meer groen !

Let wel! Het groen in de titel heeft niets te maken met de naam van een politieke partij.

Het was lekker in het zonnetje op mijn bank van het Noorderterras. En neen, ik zat niet te bruinen. Als blonde Vlaamse knaap moest ik vroeger al uitkijken om niet te worden gebakken. Maar ik hou wel van de warmte. Vervelend als je op bezoek gaat bij mensen die meer tot de orde van de ijsberen behoren. Voor de zon zet ik altijd een petje op, een geel met een leeuw, te verkrijgen bij ’t Pallieterke.

De dame die naast me zat, genoot van de volle zon. Blote armen, knopen van het bloesje wat meer geopend en het gezicht zachtjes geheven zodat ieder ontbloot stukje huid een zonnestraal kreeg.

Ik trok de klep van mijn petje wat meer naar beneden.

Stilte. Lang duurde die niet.

“Kom jij hier veel, meneer?” vroeg ze.

“Regelmatig”, antwoordde ik.

“Ik zit liever aan de overkant van de Schelde”, zei ze. “Daar is meer groen. Ben jij ook een natuurmens?”

Wat kon ik daarop antwoorden? Ik wachtte even en zei: “Ik ben meer een stadsmus.”

“Ja, ja, maar in de stad heb je ook natuur. In het stadspark bijvoorbeeld.”

Ik zei haar niet dat ik in mijn hele leven daar misschien drie keren ben geweest.

“In de stad zou men veel meer plaats moeten geven aan de natuur, meneer. Wacht tot de overkapping er zal zijn. Intussen mogen wij niet bij de pakken blijven zitten. Doen voor groen moet de leuze worden.”

Ik hield mijn gezicht in de plooi.

“In alle straten moeten meer bomen komen. Bomen met veel bladeren zuiveren de longen. Groen is de enige manier om de stad gezond te houden. Mijn buurman heeft juist op de scheiding van onze huizen een klimplant gezet. Hij was wel voorzichtig omdat daar juist de afvoerpijp van het dak loopt. Mooi, écht mooi. En hij wordt almaar groter.”

Ik dacht aan mijn buurman die dat een tijd geleden ook deed. Hij plantte hem zonder afspraak. De plant stond bij hem vlak naast het raam, bij ons vlak naast de voordeur. Erg praktisch was dat niet. Gelukkig bleef de plant geen lang leven beschoren. Breek mij de bek niet open. Vraag me niet hoe het komt dat de plant niet lang leefde. Maar dat vertelde ik haar niet.

“In mijn straat staan ook op regelmatige afstanden bomen”, zei ik. “Ze doen uitstekend dienst. De hele dag hangen er fietsen en brommers aan vast.”

“Een schande toch, meneer. De groene natuur moeten meer worden gerespecteerd”, gromde ze.

Haar groenigheid begon stilaan op mijn systeem te werken. Hoe kan men nu van een stad een groentuin maken.

“Vorige week is er nog een serieus ongeluk gebeurd in onze straat”, vertelde ik. “Met een grote bloempot.”

“Zeg me nu niet dat er een bloempot op iemands hoofd is gevallen, want dat is een flauwe grap.” Haar stem klonk enigszins geprikkeld.

“Was het dat maar”, zei ik. “De week ervoor was er straatkuis geweest. Wie er aan deelnam, kreeg een grote bloempot om op de vensterbank te zetten.”

“Ik kreeg er ook een”, zei ze.

“Enkele nachten later was er een hevige ruzie in de straat. Gezien het tegenwoordige publiek in de omgeving niet ongewoon. Een van de ruziemakers gebruikte een van die gekregen bloempotten om er de andere mee op zijn hoofd te slaan. Hij ligt nog in het ziekenhuis. Het is erg tegenwoordig. De mensen hebben zelfs geen respect meer voor het weinige groen in de stad.” Ze hoorde de spot niet in mijn stem.

Uiteindelijk verlieten we samen het terras langs de trappen.

“Daar staat mijn fiets”, wees ze.

Hij stond vastgeklonken aan het hek dat de straat scheidt van de kade. Vooraan de fiets stond een mandje boordevol met bloemen.

“Mooi groen”, wees ik ernaar.

Het waren plastiek bloemen.

TdW