De Munt

Sergei Rachmaninov (1873-1943) componeerde slechts drie korte opera’s van één bedrijf. Met zijn eerste werkstuk, “Aleko”, studeerde hij af aan het conservatorium te Moskou op 19-jarige leeftijd. Dat werk, naar een verhaal van Alexander Poesjkin, werd bekroond maar werd niet de start van een operacarrière. Rachmaninov vond niet de gepaste libretti. Hij werd bekend als pianist, dirigent en componist van koormuziek en vooral de beroemde pianoconcerti 2 en 3. Hij waagde zich nog even aan het operagenre, met het verhaal van de vrekkige ridder naar Poesjkin en met een verhaal uit de onderwereld van Dante. De Munt, voor het eerst extra muros in het Théâtre National, bracht de drie opera’s samen in een trojka-opvoering. Deze werd toevertrouwd aan het Deense productiegezelschap Hotel Pro Forma, onder de leiding van Kirsten Dehlholm. Ze is bekend voor de visualisering van theater en muziekwerken met lichteffecten, videoschermen en vooral met het optimaal gebruik van een monumentale trap voor koor en solisten. Zoals in de meeste opera’s loopt in de Trojka de vaste inhoudslijn van liefde, passie, intriges, jaloezie en dood. In het eerste verhaal heeft “Aleko” zijn geregeld leven opgezegd om met een zigeunerin te huwen, maar hij betrapt haar al snel met een jonge zigeuner. Hij doodt beiden. In het tweede verhaal leeft de oude baron vrekkig tussen zijn goud en weigert iets door te geven aan zijn zoon. Zo sterft hij ook. In het derde verhaal worden de minnaars Francesca en Paolo betrapt door echtgenoot Lanceotto. Ze zullen levenslang ronddwalen in de hel van Dante. In “Aleko” raken we onmiddellijk in de ban van de prachtige laatromantische muziek van de jonge Rachmaninov, die nog geen drie weken nodig had om dit meesterwerk te componeren. Vooral de rijke orkestratie en de prachtige koormuziek trekken de aandacht. In de titelrol schittert bas-bariton Kostas Smoriginas. Opvallend zijn de kleurrijke kostuums van Manon Kindig voor de koorleden, die zich tijdens de pauze tussen het publiek laten bewonderen. In de tweede opera stellen de solisten zich op voor het orkest achter een wazig doek. De toeschouwers worden bedolven onder de videobeelden uit de grauwe kelderruimtes van cinema Marivaux. Als vrekkige ridder laat bariton Sergei Leiferkus zijn prachtige stem en acteertalent bewonderen. De hel breekt letterlijk los in de derde opera, “Francesca da Rimini”, met Dante en de schim van dichter Vergilius in de onderwereld. Alles gebeurt opnieuw achter het orkest, op de monumentale witte trap, onder hallucinante lichteffecten. Het geheel doet wagneriaans aan. Rachmaninov, in 1906 tot volle ontplooiing gekomen, was een meester in koorzang en orkestratie. Bij de solisten voelen we het meest voor de prachtige baritonstem van Dimitris Tiliakos als Lanceotto. Muntkoor en orkest presteerden opnieuw uitstekend onder de uitbundige leiding van de Russische dirigent Mikhail Tatarnikov.

FDC