Eén van de vele overbodige en zelfs zeer schadelijke compensaties die de Franstaligen kregen voor de (gedeeltelijke) splitsing van BHV, was de oprichting van de “Hoofdstedelijke Gemeenschap van Brussel” (HGB) of “Communauté Métropolitaine de Bruxelles”.

Alleen al de verschillende benaming voor deze nieuwe instelling, wijst op een groot interpretatieverschil tussen Vlamingen en Franstaligen. Voor de Vlamingen ging het om een overlegorgaan om de gewesten aan te moedigen hun beleid in en rond Brussel beter op mekaar af te stemmen. De Franstaligen zagen dit echter als een zoveelste Belgisch bestuursniveau, waarmee gestalte moest gegeven worden aan het Groot-Brussel van hun dromen. MR-voorzitter Charles Michel schreef in 2011, na het tot stand komen van het BHV-akkoord, triomfantelijk op zijn webstek: Bruxelles est élargie par la mise en place d’une communauté métropolitaine comprenant l’ensemble des communes de Grand Brabant.” Of : “Brussel wordt uitgebreid met de oprichting van een metropolitane gemeenschap met daarin alle gemeenten van Groot-Brabant.”

De Franstaligen willen op die manier dus het oude, unitaire Brabant uit zijn as doen herrijzen, waardoor Brussel opnieuw expansieruimte zou krijgen. Met de wetteksten die uiteindelijk werden goedgekeurd, haalden zij hun slag grotendeels thuis: de HGB wordt immers niet zomaar een overlegorgaan tussen de gewesten, het wordt een nieuwe grondwettelijke instelling, waarvan alle gemeenten van Brussel én van Vlaams- en Waals-Brabant van rechtswege lid zijn.

Op 11 juni lekten de concrete Franstalige plannen uit: Brussels minister-president Vervoort (hierin gesteund door zijn Waalse partijgenoot Magnette) wil er meteen een loodzware instelling van maken. Naast een uitvoerend orgaan waarin 15 ministers zouden zetelen (5 van ieder gewest), zou er een raadgevende vergadering (soort parlement) komen met minstens 115 leden: één afgevaardigde per gemeente en een afgevaardigde van ieder gewest en de federale overheid. Hiermee is overduidelijk waar de Franstaligen op termijn naar toe willen: een tweetalig Groot-Brussels parlement waarin alle Vlaamse-Brabantse gemeenten verplicht zitting zouden hebben.

In het Vlaams Parlement liet Geert Bourgeois, die hierover op 17 juni ondervraagd werd door Stefaan Sintonbin (VB) en Karl Vanlouwe (N-VA), verstaan dat hij niet echt gecharmeerd was door dit voorstel. Toch worden de onderhandelingen hierover tussen Vlaanderen en Brussel voortgezet. We houden echt ons hart vast, aangezien we helemaal niet weten waarop dat uiteindelijk zal uitdraaien. De Vlaamse regering zou deze nieuwe vorm van Brussels imperialisme best gewoon naar de prullenmand verwijzen, maar die moed hebben ze op het Martelarenplein voorlopig niet.

Gelukkig heeft ook de provincie Vlaams-Brabant zich geroerd in het debat. VB-fractievoorzitter Jan Laeremans ondervroeg de deputatie op 23 juni en namens het provinciebestuur antwoordde gouverneur De Witte dat zijn bestuur het ‘ondenkbaar’ acht dat de Vlaamse of de provinciale overheid zouden meestappen in het Brusselse verhaal. De Witte stelde dat de HGB een louter overlegorgaan moest worden en geen ‘bestuur’ met beslissingsbevoegdheid. De provincie ziet de bui natuurlijk al een tijdje hangen: als die HGB er inderdaad komt, zal die in belangrijke mate provinciale bevoegdheden inpikken, zodat de provincie Vlaams-Brabant in zijn voortbestaan bedreigd wordt.

Het is goed dat het provinciebestuur zich verzet, maar men zou veel straffere taal moeten spreken. De provincie zou de Vlaams-Brabantse gemeentebesturen in bescherming moeten nemen, en elke structuur waarin de gemeentebesturen een rol spelen krachtig moeten verwerpen. Het antwoord van de gouverneur is een eerste, voorzichtige stap, maar het standpunt van de provincie mag voor ons part véél krachtiger en véél ondubbelzinniger klinken. Wordt vervolgd.

’t P.