Commedia dell’arte

Burlesk en surrealistisch, zo is dit land. En binnen deze Commedia dell’arte lijkt de omgang met de taalwetgeving in Brussel wel het kroonstuk. Er is een vicegouverneur zonder gouverneur, vele politici als waren het struisvogels én een vereniging van vrijwilligers die – zonder subsidies –  gerechtelijke stappen onderneemt opdat de overheden van dit land hun eigen wetten toepassen. Leve Magritte!  

Ongetwijfeld kunnen sommigen hartelijk lachen met de manier waarop in Brussel de taalwetgeving (niet) toegepast wordt, alleen vergt dit een graad van cynisme die zelfs voor ons te hoog gegrepen wordt. Hoewel. Neem nu die parlementaire vraag van Dominiek Lootens (VB), gesteld in – houd u vast – de ‘Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie’ i.v.m. de taaltoestanden in de Brusselse ziekenhuizen, sinds oudsher een sector waar het huilen is met de pet op. De uitgevoerde controles, leert het antwoord, “hebben betrekking op de officiële documenten die in twee talen moeten worden opgesteld”. En dan het besluit: “Er werd geen overtreding vastgesteld”. Mooi toch, weer een probleem van de baan.

De taalwetgeving in Brussel is een treffend voorbeeld van hoe al bij al vrij duidelijke en zelfs gunstige regels helemaal kunnen verwateren door een gebrekkige toepassing ervan. Ongetwijfeld tot grote ergernis van de man die bevoegd is om hierover te waken: Brussels vicegouverneur Jozef Ostyn. Die man, overigens erg beminnelijk, is uniek in zijn genre. Niet alleen door zijn bevoegdheid – enkel de taalwetgeving! – maar ook door het feit dat hij de enige vicegouverneur is zonder… gouverneur. Die functie werd immers door de zesde staatshervorming afgeschaft, maar Ostyns plaats bleef. Hij is een ambtenaar, wat betekent dat zijn bevoegdheden hun beperkingen hebben. Bij overtredingen kan hij schorsen, maar deze beslissing bekrachtigen is een politieke verantwoordelijkheid. Veelal Franstalige excellenties laten graag na dit te doen, per slot van rekening is die taalwetgeving nooit ‘hun ding’ geweest.

Er is een stijging van het aantal dossiers dat de vicegouverneur op zijn bureau krijgt, lezen we in De Brusselse Post van enkele maanden geleden. Leest u even mee. “Wat in belangrijke mate een resultaat is van het feit dat gemeenten blijk geven van een grotere medewerking. * Excuseer? * Vroeger waren er gemeenten die niets indienden. Nu ja, als er geen enkel dossier binnenloopt, is het ook moeilijk overtredingen vast te stellen. (…) Punt is dat in 2013 elke gemeenten dossiers ingediend heeft.” Zonder meer een blijk van civisme om u tegen te zeggen, met onze excuses voor… het cynisme.

Maar zie, plots komt de man in het vizier van het FDF te staan. In La Libre Belgique duikt eind juni opeens een stuk op waar Ostyn beschuldigd wordt van een “zware beroepsfout”. Hij zou vertrouwelijke informatie doorgespeeld hebben aan het Vlaams Komitee Brussel (VKB) (“radicale flamande”), waarna hun juridische werkgroep die zou gebruikt hebben om een aantal procedures in te spannen tegen de bewuste benoemingen. Juridisch zit alles snor, laat dat duidelijk zijn. “Misschien moet het FDF maar eens kennis nemen van de regels rond openbaarheid van bestuur”, merkt een kroonjurist van het VKB op. Een storm in een glas water dus, maar een reactie die tekenend is hoe de taalwetgeving Franstaligen ergert, en dit terwijl de toepassing ervan in menig opzicht een lachertje is. Ooit ontving het VKB (Vlaamse) subsidies. Ze werden o.m. gebruikt om de kosten te dragen van juridische tussenkomsten op punten waar de overheid op een flagrante manier naliet haar eigen wetgeving consequent toe te passen. Alle Brusselse ‘Taalhoffelijkheidsakkoorden’ (sic) werden op die manier door de Raad van State vernietigd. Vandaag is die steun er niet meer.  Kan een Vlaamse regering met forse N-VA-stempel hier verandering in brengen?

KNIN.