In de Zwarte Doos

Het lijkt een beetje gek dat een dienst die de naam Stadsarcheologie draagt, zich moet bezighouden met het bestuderen van beroepen die nog maar een goede honderd jaar geleden zijn uitgestorven.

Dienen archeologen niet eerder elke uithoek van de stad uit te baggeren op zoek naar pakweg het laatste teenkootje van Karel de Grote, of een half verweerde Gallo-Romeinse nachtpot? Te Gentbrugge ziet men het ruimer. Daar hebben de mannen en vrouwen stadsarcheologen, samen met de collega’s van de dienst Stadsarchief, in thuisbasis de Zwarte Doos een verhelderende tentoonstelling rond het leerlooien in elkaar gestoken. De expo kadert in hun project “De Vitrine”, een uitstalraam voor telkenmale een ander aspect van het leven van vroeger. De huidige editie stelt niet alleen de leerlooier centraal, maar leert tevens meer over het ambachtelijke leven in het oude Europa.

Noodzakelijk maar vuil

Het ene ambacht was het andere niet. In de middeleeuwen had elk beroep zijn vaste plaats in de samenleving en als dusdanig een bijhorende reputatie. Leerlooiers waren niet uitzonderlijk. Men vond ze zowel op het platteland als in elke stad. Hun dagelijkse inzet verschafte de gemeenschap een onontbeerlijk halffabricaat, dat door andere handwerkers tot schoenen, riemen, zadels en dergelijke werd verwerkt. De grondstof van bewerkte dierenhuiden verbond hen allen in dezelfde gilde. Keerzijde van de stiel was dat leerlooiers als zowat de grootste vervuilers van de stad en omliggende wateren golden. Leder vervaardigen zonder massa’s water te verbruiken en te bezoedelen, is ondenkbaar. In het Gent van weleer kregen de ledermakers hun eigen stek, aan de Waalse Krook. De ravage die ze daar met hun chemische processen hebben aangericht, is niet te schatten, om maar te zwijgen van de vieze luchtjes die ze de smalle straten injoegen. De steriele expozaal doet onze 21ste-eeuwse reukorganen weinig geweld aan, maar wie de moeite doet zich in de documentatie in te leven, “ziet” het Gent van toen gewoonweg stinken.

Bewondering

Men moet er zich voor hoeden het ambacht van de leerlooiers, alsook dat van tientallen andere neringen uit lang vervlogen tijden, te idealiseren. Wat boeiend te weten dat het ambacht uit zulk een ingewikkelde, maar keurig geordende werkwijze bestond. De werkmens uit het ancien régime was immers helemaal niet zo primitief als men vandaag zou denken. Hij wist goed wanneer, hoe en waarvoor men de verschillende natuurproducten diende te gebruiken. Zo zien we aan de hand van het leerlooien dat het oude ambacht een prachtig samenspel was van zorgvuldig aangewende krachten. En wat een streling voor het oor zijn de vele vaktermen, waarvan er welhaast geen enkele overleefde. De leerlooier van toen had er allicht weinig aan. Hij werd geboren in de stiel en zou erin sterven. In de tijd daartussen kende hij een ongezond en gevaarlijk bestaan. Bewondering is daarom een passender gevoel bij deze tentoonstelling. Want dit is niet alleen een verhaal over kennis, traditie en handigheid, maar vooral over het doorzettingsvermogen en de arbeidsethos dat onder onze voorouders als doodnormaal gold.

“Dé Vitrine 4: Wie het schoentje past… De lederambachten in Gent tijdens de middeleeuwen en het ancien régime” is te beleven tot 30 september 2015 in de Zwarte Doos, Dulle Grietlaan 12 te Gentbrugge (maandag van 8.30 tot 18 uur, en dinsdag tot en met donderdag van 8.30 tot 16 uur).

Tom