Oud-VB’ers bepalen lot N-VA

Er is één groep waarvan het stemgedrag bij de volgende verkiezingen een buitenproportionele invloed zal hebben op wat daarna komt, en dat is de groep mensen die van het Vlaams Belang is overgestapt naar de N-VA, en deze partij daarmee haar verkiezingsoverwinning bezorgde. Hoe talrijk ze zijn, weet men niet, maar ze zijn met velen. Niet al de winst die de N-VA binnenhaalde in 2010 en vooral in 2014 komt uit het VB, en niet al het verlies van VB is te wijten aan de aantrekkingskracht van de N-VA, maar het is hoe dan ook een pak kiezers, die misschien wel een partij op zichzelf zouden kunnen vormen.

Zij dus waarvan de Vlaamse reflex niet ter discussie staat, – kiezers waarvan met zekerheid vaststaat dat zij zich in hun kiesgedrag laten leiden door vlaamsgezindheid, – zullen de N-VA in 2019 beoordelen op grond van de uitvoering die de partij heeft gegeven aan haar specifiek Vlaamse doelstelling. Zelfs zeer concreet: zij zullen de N-VA beoordelen op grond van de stappen die de N-VA sinds die hun stem kreeg (sinds 2010 of sinds 2014) heeft gezet op de weg naar de bestaansreden van de N-VA. Dat is dus de Vlaamse onafhankelijkheid, zij het in de inmiddels gecorrigeerde versie die de N-VA ervan brengt: confederalisme.

Het probleem waar deze kiezers mee zitten, is niet de regeringsdeelneming als zodanig van de N-VA – was die regeringsdeelneming gepaard gegaan met bijvoorbeeld federalisering van (ik zeg maar iets) binnenlandse zaken, justitie, spoorwegen en de inkomstenbelasting, dan zou er, dunkt me, geen probleem zijn – , maar met iets helemaal anders, namelijk dat de N-VA voor het simpele recht om aan de Belgische regeringstafel aan te zitten, “een nooit geziene prijs moest betalen” (Bart Maddens, in De Morgen , 6 mei). Die prijs ging veel verder dan het bij het grof vuil zetten van kiesbeloften. Dat is immers nog gebeurd. Het was de reden waarom het Egmontpact van 1977 onaanvaardbaar was voor bijna de gehele toenmalige Vlaamse Beweging en zelfs voor de bijna gehele Vlaamse pers van toen. Het bijzondere van het regeerakkoord met de N-VA is dat de Vlaamse strijd werd stopgezet: de N-VA nam de verbintenis op zich om geen enkele vorm van Vlaamse actie of het innemen van Vlaamse radicale standpunten te zullen dulden, en elke medewerking van N-VA’ers aan zulke zaken zou verbieden.

Er is wel BXL

Niet slechts het confederalisme werd voor vijf jaar op sterk water gezet door de N-VA maar alles wat door kon gaan voor radicaal Vlaams. Hierdoor veroordeelde zij de Vlaamse Beweging tot de doodstraf – en dat is er aan te merken. De meest uitgesproken en geloofwaardige voorstander van de Vlaamse onafhankelijkheid van de laatste jaren, Peter de Roover, aanvaardde een Belgische Kamerzetel van de N-VA, en begon zich bezig te houden met zijn en andermans pensioen. Walter Pauli heeft het (in Knack, 1 juli) terecht over “de grote politieke stilte”, die heerst in vlaamsgezinde rangen. De vijand triomfeert: eindelijk, na vijftig jaar, slaagt de rabiate francofonie van Brussel erin om de letters BXL (zonder BSL) in het wapen van de stad Brussel te laten opnemen. In andere tijden had dit tot een regeringscrisis kunnen leiden en had het niet kunnen doorgaan. Kiezers van de N-VA dienen te weten dat dit symbool staat voor de Franstalige verovering van Brussel, het einde van de formeel tweetalige hoofdstad. En Vlaanderen laat begaan, want de N-VA heeft het daar voor het zeggen. In 2019  – en ten dele reeds bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 – zal de vraag luiden of de oud-VB kiezers voor  N-VA hebben gestemd om van Brussel BXL te maken. Heeft de N-VA überhaupt één Vlaamse eis verwezenlijkt? Was er een Franstalige verwezenlijking die met moed werd bestreden?

Jan Jambon, die persoonlijk voordeel haalt uit de Vlaamse “stilte” en derhalve het fatsoen zou moeten hebben om deze regering niet te verdedigen, zegt (in Het Nieuwsblad, 24 januari): “We hebben duidelijk aan onze achterban gezegd: gedurende de volgende vijf jaar zal er communautair niets verwezenlijkt worden, maar binnen vier jaar komt dat natuurlijk weer ter tafel, en dan beslist de kiezer”. Zelden heeft men zo’n grondig misprijzen aangetroffen voor het intelligentieniveau van de kiezer. Denken Jambon en de zijnen nu werkelijk dat de kiezer te dom is om niet uit zichzelf in te zien dat het verhaal van vandaag over vier jaar herhaald kan worden en dat de N-VA dan opnieuw aan de macht kan komen op voorwaarde dat de Vlaamse Beweging de “stilte” eerbiedigt, en Vlaanderen de strijd staakt?

Wij stoppen aan het rood licht

Dat Jambon zijn kiezers uitlacht, verwondert niet. Dat Geert Bourgeois hetzelfde doet, verrast. In Brussel Deze Week (22 januari) zei hij dat er vandaag geen kans was om iets “communautair” tot stand te brengen want dat de parlementaire meerderheid daarvoor ontbrak. “Wij zijn legalisten. Er is een grondwet die nageleefd moet worden,” aldus Bourgeois. Het “Leve België” is niet ver af. Maar moet daarom heel de Vlaamse Beweging aan haar actie en agitatie verzaken, zoals door België van de N-VA werd gevorderd? Is Bourgeois het al dan niet eens met zijn partijvoorzitter Bart de Wever die er (in De Tijd, 17 maart 2012) aan herinnerde dat alle grote hervormingen in België tot stand kwamen op een ongrondwettelijke wijze? Hij gaf als voorbeeld de invoering van het algemeen stemrecht – buiten de grondwet. “Als je denkt dat je de omslag van het ene model naar het andere kan doen binnen het kader dat het establishment je nalaat, dan is dat naïef” aldus De Wever. Ocharme, de naïeve Bourgeois. Zeg hem dat De Wever het heeft gezegd. – Om deze bedenkingen af te ronden, nog dit: “De hele Vlaamse ontvoogding is het resultaat van niet-parlementaire actie,” aldus prof. Carl Devos (in Knack, 19 november 2014). Maar die actie heeft de N-VA met haar eigen “stilte” onmogelijk gemaakt.

Wachten op 2019

De kiezer zal ten laatste in 2019 oordelen. De N-VA heeft een relatief grote groep vertrouwelingen rond zich verzameld, die ze in 2018 hoopt aan te vullen met nog een aantal burgemeesters en schepenen. De enige groep kiezers die verantwoordelijk zal zijn voor winst of verlies of, realistisch gesproken, voor de omvang van het te verwachten verlies (als regeringspartij) van de N-VA, bestaat uit de duizenden kiezers die in 2010 of 2014 overgekomen zijn van het Vlaams Belang. Dit zijn de enige kiezers waarvan we met zekerheid weten dat ze reeds voordat ze overgingen naar de N-VA, bereid waren zich in te zetten voor de onafhankelijkheid van Vlaanderen. Deze kiezers zijn het, en geen andere substantiële groepen, die het werk van de N-VA zullen beoordelen vanuit de oorspronkelijke doelstelling van de N-VA. Dat oordeel zal er een zijn waarin het afzien door de N-VA van elke stap, hoe miniem ook, naar Vlaamse onafhankelijkheid die aan de regeringsdeelneming had kunnen gekoppeld worden, centraal zal staan. Het zijn de mensen die van N-VA verwacht hebben wat het VB ze niet kon geven.

Juist de vele commentatoren en analisten, die na de verkiezingen het accent hebben gelegd op de verschuiving die zou plaats gevonden hebben van VB-kiezers naar N-VA, zouden zich thans, als ze waarachtig niet-partijgebonden zouden zijn, moeten buigen over het oordeel, de mening en de intenties van de N-VA kiezers die van het VB komen. Hebben zij de ruil van Belgische regeringsdeelneming tegen het einde van de strijd voor onafhankelijkheid aanvaard, of worden zij erdoor gechoqueerd? Vergeet niet dat die kiezers afkomstig uit de VB, weinig of niet vertegenwoordigd zijn in de leidende kringen van de N-VA, zodat De Wever en zijn omgeving de opvattingen die in deze groep leven nauwelijks kennen. Misschien speelt de proclamatie van Brussel tot Franstalig gebied bij deze kiezers wel een grotere rol dan bij de plaatselijke kiezers van de burgemeester van Antwerpen.

MARK GRAMMENS