Johannes

De man naast me kreeg een klapje op zijn schouder van iemand die achter ons voorbijliep. Tegelijk zei hij: “Dag Jan!’

Ik keek naar mijn buur en vroeg: “Heet jij Jan?”

“Zo noemen ze mij.”

“Ik denk dat jouw officiële naam Johannes luidt”, zei ik.

“Bingo”, lachte hij. “Maar iedereen noemt mij gewoon Jan. Op 21 juni was het mijn naamdag.”

“Johannes was in zijn tijd een heel bijzonder iemand”, wist ik. “Over hem leerden we in de lagere school.”

Hij knikte en vervolgde: “In het Nieuwe Testament lezen we dat hij Jezus doopte in de Jordaan. Tot op de dag van vandaag dragen vele kerken en ziekenhuizen zijn naam. Er zijn ook gemeenten waarin zijn naam voorkomt. Sint-Jan bij Ieper, Sint-Jansberg, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Jans-Geest op de taalgrens en Sint-Jansklooster in Holland.”

De Jan naast me was duidelijk zo trots als een pauw op zijn patroonheilige.

Ik trok een triest gezicht en zei: “Hij werd onthoofd op bevel van koning Herodes die dat had beloofd aan zijn dochter. Misschien hebben die gasten tegenwoordig dat van hem geleerd.”

“Over Johannes zou ik een dik boek kunnen schrijven, meneer. De meeste mensen weten nog niet de helft over hem. Het is natuurlijk lang geleden. Maar ik heb het allemaal nagesnuffeld.”

“Vertel”, zei ik. “Het interesseert me.”

Meer hoefde ik niet te zeggen en hij startte. “Aan het Hof van Karel de Grote verbleef de Latijnse dichter Warnefried. Dat was in de jaren 700. Hij moest voor de wijding van de paaskaars de Exultet zingen maar toevallig zat hij in die periode zonder stem. Dat was ook het geval geweest met Zacharias, de vader van Johannes. Hij kreeg echter zijn stem terug bij de geboorte van zijn zoon. Daaraan dacht Warnefried en hij beloofde een lofzang te dichten ter ere van Johannes als hij kon zingen. Dat gebeurde en Warnefried schreef de hymne ‘Ut queant  laxis’. Daar heb je mogelijk nooit van gehoord. Later heeft onze Guido Gezelle die hymne vertaald en ze luidt: Heilige Johannes, los de schuld van onze besmette lippen, opdat wij, uwe dienaars, met losse stemspieren, uwe wondere daden mogen verkondigen.”

Ik klapte zachtjes in mijn handen. “Proficiat, Jan.”

“Ach, man, moest je weten wat we nog allemaal aan Johannes te danken hebben. Men staat er niet bij stil.”

Hij las de nieuwsgierigheid op mijn gezicht.

“Het begon met oude gewoonten. Als een vrouw niet veel genegenheid had van haar man, dan was daar een middel voor. Ze legde op Sint-Jansdag, terwijl de torenklok twaalf uur sloeg, een notenblad in de linkerschoen van haar echtgenoot. Dat hielp. Een andere vrouw kon de gierigheid van haar man genezen. Zij plukte in de Sint-Jansnacht een stropijl. De volgende Sint-Jansdag, toen het ’s middags twaalf uur sloeg, stak ze die stropijl in het sleutelgat van de geldkast en even later  overlaadde haar man haar met geld.”

Vertellen kon de man. Hij zou best een vertelnamiddag kunnen houden aan toehoorders in het park.

Hij was niet te stuiten en ging verder. “Het is ongelooflijk hoeveel Sint-Jansgebruiken er vroeger bestonden. Sint-Jansvuren bijvoorbeeld kwamen heel veel voor. Nu behoren ze tot het verleden. Op de naamdag van Sint-Jan, ook de mijne trouwens, werden in het openbaar vuren gemaakt. Je kan ze vergelijken met de kampvuren van de scouts. Oorspronkelijk waren het offervuren. Men wierp er groenten en kleine dieren in en danste er rond en doorheen.”

Ik bleef niet achter en kon hem verbazen met twee oogstspreuken over Sint-Jan.

“Als de linde bloeit met Sint-Jan is de rogge met Sint-Jacob rijp. En regen op Sint-Jan voorspelt een natte oogst.”

“Amai voor dit jaar”, was zijn reactie.

Even was het stil tot hij plotseling zei: “Wij zijn toch wel twee slimme mannen, hé?”

Wie was ik om hem tegen te spreken?

TdW