De zomerse rust is een zegen voor iedere schilder. Althans, lang geleden was dat zo. De schilder met gevoel voor traditie begrijpt dat dit seizoen met zijn aanlokkelijke lichtspelingen en uitbundige schakeringen ongewoon grote kansen biedt. Aan de artiest om ze te grijpen. Hoewel temperaturen als die van de voorbije weken tijdens de natuurbeleving voor de nodige ongemakken zullen zorgen, liet een echte schilder zich in de 19de eeuw niet afschrikken door een beetje zomerzon. Wel integendeel. In dat seizoen gingen de kunstenaars samen met de boeren massaal op in het bucolische decor. De lange uren van observeren, zweten en zwoegen werden meestal met de onthulling van een meesterwerkje bekroond.

Vorige week traden we in het voetspoor van Emile van Doren, die ooit ijverig kwastend de onherbergzame Kempen introk. Ditmaal verkennen we een heel ander landschap. We trekken daarvoor naar het Leuvense Museum M, waar nog tot midden september een fraaie sprankel Brabants landschap te bewonderen valt. De getoonde stukken stammen allemaal uit de School van Tervuren, een groep kunstenaars die zich omstreeks 1870 rond de Doornikenaar Hippolyte Boulanger (1837-1874) verzamelde. Op dat moment liep de Franse School van Barbizon, tevens een commune van landschapsschilders, op haar laatste benen. Boulanger wenste in de groene gordel rond Brussel, met Tervuren als uitvalsbasis, in hun geest verder te werken. De benaming “de school van” is dan ook een knipoog naar het Franse voorbeeld. Grapje of niet, voor de schilderkunst in ons land waren de mannen van Tervuren wel van belang. De van aureolen en hyperbolen gespeende voorstellingen van holle wegen, boomgaarden, dreven, bos- en vergezichten die zij penseelden, worden algemeen aanzien als de schakel tussen romantiek en impressionisme. Hun realisme scherpt het aura van ongereptheid, hoewel de hartstochten bij hen nog niet geheel bedwongen waren. Vooral bij de zwaarmoedige Boulanger stak de onstuimigheid van Moeder Natuur geregeld de kop op, met dreigende onweersluchten die bladerdaken en korenhalmen in beweging zetten. Opvallend is het verband met het verhaal van Van Doren. Tervurenaar Joseph Coosemans (1828-1904), bijvoorbeeld, leerde de stiel in en rond het Zoniënwoud en eindigde als meester in het Genkse moeras.

M heeft er werk van gemaakt en geeft met deze tentoonstelling de School van Tervuren misschien de bekendheid waar ze recht op heeft. Het is echter spijtig dat dit via een initiatief van een groot Vlaams museum moet gebeuren. Laten we niet vergeten dat er heel wat kennis over deze grote kunstenaars schuilt in kleinschaligere projecten. Sinds 1989 organiseerden de Vrienden van de School van Tervuren maar liefst zevenentwintig tentoonstellingen over hun geliefde kunstenaarskolonie. Hun rustieke Hof van Melijn mag dan al bescheidener zijn dan het hypermoderne M, er valt zeker evenveel te leren.

“Plein air. De School van Tervuren” is te bezoeken tot 13 september in het M Museum, Leopold Vanderkelenstraat 28 te Leuven. Wie van die landschappen niet genoeg kan krijgen, kan tot 20 september elke vrijdag, zaterdag en zondag van 14 tot 17 uur terecht in het Hof van Melijn (Melijndreef 6, Tervuren) voor de expo “Van romantisme, via realisme naar impressionisme”.

Tom