2015-32_11_Bert Peleman (Medium)
Tekening Jef Nys uit 1951

Honderd jaar geleden geboren

Het minste wat van de op 13 april 1915 in Puurs geboren letterkundige en gedreven promotor van het Scheldelandtoerisme gezegd kan worden, is dat hij een merkwaardig man was. Als lid van de Eenheidsbeweging-VNV, had de jonge Bert het in de collaboratie ver “geschopt”, maar dat werd hem door het wrekende vaderland in 1948 zwaar aangerekend. In Brussel werd hij, op beschuldiging van landverraad, ter dood veroordeeld. Die doodstraf werd evenwel niet uitgevoerd, omdat het door hem ingediende genadeverzoek werd gesteund door nogal wat letterkundigen van verschillende gezindten. Om er enkelen te noemen: Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, Johan Daisne, Maurice Roelants en Emmanuel de Bom. Bert had in letterkundige kringen vóór de oorlog reeds enige faam gesprokkeld, onder meer als laureaat in 1937 van de poëzieprijs van de provincie Antwerpen, met zijn dichtbundel “Variante voor harp”, een volkse verheerlijking van het boerenleven in Vlaanderen. Toen Bert Peleman, na omzetting van zijn doodstraf in levenslang, op kerstavond 1950 toch werd “gelost”, besloot hij zich voor de rest van zijn leven niet meer met politiek in te laten. Hij wijdde zich met hart en ziel aan letterkunde, uitgeverij en toerisme waarin hij “zijn” Schelde bezong in alle toonaarden. Sprekend voorbeeld is het mooie tekst-fotoboek “Eeuwige Schelde”, door hem in 1953 uitgegeven in samenwerking met Filip de Pillecyn.

Laat ons liefste

Kenmerkende anekdote die door wijlen Gust Teugels op zijn talloze zangavonden graag werd verteld: terwijl Ernest Claes, Stijn Streuvels en andere taalminnaars een letterkundige bootvaart op de Schelde deden, bleef Bert Peleman op de Scheldeoever op een bank zitten, samen met Armand Preud’homme, en daar maakten zij met hun tweetjes het onsterfelijke Vlaamse liefdeslied “Laat ons, liefste, samen varen”, waarmee zij de andere letterkundigen bij hun terugkeer aangenaam wisten te verrassen. Ook “Vuurwerk voor Vlaanderen”, een ode aan het land van Uilenspiegel, met anderstalige bijdragen (met bijhorende vertaling) van o.a. Paul Claudel, Emmanuel Looten, Emile Verhaeren, Charles de Coster, H.W. Longfellow, Paul Verlaine en een rist andere beroemdheden werd in 1980 door veelschrijver Peleman samengesteld. Kritische noot: de gedichten van Bert Peleman waren niet allemaal pareltjes van hoogstaande dichtkunst, om het eufemistisch uit te drukken, en in zijn grootse werken nam hij het niet altijd even nauw met de spelling van onze moedertaal die je, naar het woord van Gezelle, geen geweld mag aandoen. Desondanks leek Vlaanderen grootmoedig geneigd om ‘s mans duistere verleden met de mantel der liefde te bedekken, en hem te bewonderen, zodanig zelfs dat in 1985 de toenmalige Vlaamse “Executieve” de Scheldedichter om zijn letterkundige en toeristische verdiensten waardig genoeg bevond om te worden benoemd tot ridder in de Orde van Leopold II.

Leopoldsorde

Dat was evenwel buiten de waard in de Wetstraat 16 gerekend, waar toen ene Wilfried Martens het voor het zeggen had. Na opgeblazen protesten in de Franstalige pers, werd de toegekende vaderlandse onderscheiding…weer ingetrokken. Die protesten klonken toen in deze trant: “L’ordre de Léopold a été accordé à un ancien SS, à un criminel de guerre.” In het Vlaams Parlement werd toen door Hugo Schiltz – ere wie ere toekomt – heftig van leer getrokken tegen die smadelijke intrekking. De Franstalige hetze “in de stijl van 1919” bestempelde hij als “schandelijke demagogie, deontologisch onwaardige prietpraat”. Het mocht niet baten. Bert Peleman, die volgens ‘t Pallieterke van meet af aan die belgische onderscheiding had moeten weigeren, werd géén ridder. Als pleister op de wonde heeft hij later, mét instemming van Jan Nuyts’ ‘t Pallieterke, de Orde van de Vlaamse Leeuw gekregen. Tien jaar na zijn ingetrokken ridderorde, op 5 augustus 1995, is die merkwaardige Vlaming in Antwerpen overleden. Dat de veroordeling door de vaderlandse justice de rois nègres de gevoelige Scheldedichter toch wel had getekend (maar niet gebroken), wil ik staven met volgend gedicht:

Gij weet het, Heer, hoe ik dit volk
bemin tot in zijn haatlijkheden
tot in de rugstoot van de dolk,
tot in de pijn gedwee geleden.

Want eenmaal, Heer, gelijk een dier
in beestenhokken opgesloten
werd ik omkreitst door gier na gier
bespuwd, bespot en uitgefloten …

En toch, Heer, blijf ik blind dit volk
tot in het diepst der ziel beminnen
en zacht, als zijn gekwetste tolk,
mij op zijn hoogste roem bezinnen.

(uit: Bij de donk’re katedralen 1944)

hvo