Als de CD&V Schiltz heilig verklaart

Wij zijn een klein land. Dat is niet negatief bedoeld, zeker niet neerbuigend, maar als een vaststelling. Ik moest er wel aan denken toen ik in een recente zaterdagse column van Rik Van Cauwelaert in De Tijd (8 augustus) de bedenking aanstreepte: “In de CD&V maken vier à vijf mensen de dienst uit”, met daarbij de nostalgische noot dat de partij “in het verleden” over toppolitici beschikte, – toch ook weer niet zoveel, als men het lijstje bekijkt dat Van Cauwelaert op de bedenking laat volgen: Eyskens (Gaston), Tindemans, Martens, Dehaene … dat zijn er zelfs maar vier.

In een klein land bestaan partijen vaak uit clans, families met ieder hun eigen netwerk van vrienden en relaties. Van Cauwelaert behoort zelf tot een van de oudste “families” met gezag in de CD&V. Hij is iemand die door leden van andere oude families in de partij wordt vertrouwd, en ook beluisterd. Daar vloeien een aanzien en een invloed uit voort, die iemand die niet zijn wortels geniet, niet zijn “ingangen” heeft, moeilijk verwerft. Van Cauwelaert is altijd interessant, maar als hij over de CD&V handelt, spreekt hij insiderstaal. Dat blijft waar, ook als men vermoedt met welke oud-gouverneur van de Nationale Bank hij aan tafel heeft gezeten, en genoteerd heeft wat in dié zijn netwerk binnen de partij de ronde doet.

Over Peeters en Geens

Deze wat uitvoerige achtergrond om uit het artikel van Van Cauwelaert van 8 augustus één zin naar voren te halen: “Gezaghebbende figuren (in de CD&V) zijn er vandaag niet meer”. Precies, het is de bedenking die ontbreekt in andere commentaren over het reilen en zeilen van de CD&V, maar die juist is, en die er toedoet. In de regering zitten er maar twee die meetellen: Kris Peeters en Koen Geens. Beiden komen “van buiten”, zijn dus niet uit de rangen van de partij naar omhoog geklommen, maar direct, zonder een verkiezing op welke plek dan ook, in een ministerszetel geïnstalleerd, op  raad van de “vier of vijf” personen die het in de partij voor het zeggen hebben en die hen toevallig kenden. Peeters werd door Leterme opgevist toen die Vlaams minister-president was en nogal ontevreden was over het menselijk materiaal waar de partij hem mee opgezadeld had. Geens was iemand die al een tijdje rondliep in het grensgebied tussen de partij en de vakbond, waaraan hij juridisch advies verleende en voor wie hij al eens als tussenpersoon optrad in de geheime vergaderingen waar het geld wordt beheerd van de “christelijke” zuil. Iemand dus die al lang in de schaduw actief was voordat hij plots op het voorplan werd gehesen toen partij en vakbond binnen de regering iemand wilden hebben die met kennis van zaken hun financiële belangen kon verdedigen tegen een boze buitenwereld, bestaande uit de rechterlijke macht, de N-VA, Europa en nog zoveel meer. U hebt goed geraden: Arco.

Over Beke en Schiltz

En dan is er nog Wouter Beke, partijvoorzitter geworden bij gebrek aan concurrentie. Zou Van Cauwelaert deze Beke meetellen in de groep van “vier of vijf mensen die (in de partij) de dienst uitmaken”? Ik betwijfel het ten zeerste: in zijn columns vermijdt Van Cauwelaert het over Beke te hebben. Ik betwijfel het meer dan ooit na lezing van de vakantiepagina die Beke in De Tijd (12 augustus) mocht vullen met het antwoord dat hij wenste te geven op de vraag naar welke politieke leiders hij opkeek of opgekeken had. In dezelfde artikelenreeks heeft Geert Bourgeois ten minste nog de allure en de goede smaak gehad om Jacob van Artevelde tot zijn voorbeeld te kiezen (wegens diens buitenlandse politiek, men begrijpt: pro-Engels, anti-Frans…), maar Wouter Beke kiest als zijn voorbeeld: Hugo Schiltz.. Beke heeft Schiltz amper gekend, maar Beke heeft het meest minderwaardige van Schiltz’ geschriften gelezen (namelijk meer vanuit een gevoelsmatige reflex opgebouwd dan uit de kracht van een sterke logica), en praat dat na. Daarmee streeft hij een concreet dagelijks politiek doel na: de verdediging van de politicus als pragmaticus, als “fixer” (of loodgieter), die compromissen sluit. Eigenlijk, maar dat staat er niet, noch bij Schiltz noch bij Beke: de verdediging van de politicus die zijn verkiezingsbeloften niet houdt, want daar komt al dat zeuren en treuren over de noodzaak van het compromis wel op neer.

Op zichzelf is er natuurlijk niets mis met het compromis. Als een afspraak voor u uitkomt om drie uur, maar voor mij om twee uur, kom, dan maken we er halfdrie van. Compromis gesloten. Maar het ellendige is dat politici hebben ontdekt dat ze hun kiezers, die ze al eens bedrogen hebben door niet te doen wat ze beloofd hadden (bij Schiltz was dat: met de slogan “gedaan met geven en toegeven” de verkiezingen van 1977 ingaan terwijl hij inmiddels in het zuiden van Frankrijk, in ruil voor de regeringsdeelneming van de Volksunie, al alles gegeven en toegegeven had wat Outers en zijn andere vrienden van het FDF wensten), een tweede keer kunnen bedriegen door een capitulatie een “compromis” te noemen. Beke verwijst hier wel naar de actualiteit, want dat is precies wat Vlaamse regeringspartijen zich voorgenomen hebben in 2019 te doen: zelfs het opgeven van hun bestaansreden zullen ze voorstellen als “een compromis”, in de overtuiging dat men de kiezer kan wijsmaken wat men wil. De vorige keer klopte dat niet: in de daarop volgende verkiezingen (1978) leden Schiltz en Volksunie de grootste nederlaag die een partij reeds geleden had sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Waarom moet nu juist Beke via de lof van Schiltz het “compromis” verdedigen? Welnu, handig als hij wel is, weet hij dat in of omtrent 2019 de dag komt waarop Beke er zal aan herinnerd worden dat het confederalisme door de CD&V (congres van Kortrijk onder leiding van Stefaan De Clerck) in hun partijprogramma werd opgenomen. Dat was nog vòòr de N-VA ermee afkwam en deed alsof het origineel was.

En de verkiezingen van 2019

Alles ziet er naar uit dat de volgende verkiezingen onvermijdelijk voor een groot gedeelte zullen gaan over de diepe kloof tussen de doelstelling van de N-VA (Vlaamse onafhankelijkheid) en de praktische uitvoering die tijdens de regeringsdeelneming van N-VA aan deze doelstelling werd gegeven. Maar alles ziet er ook naar uit dat de N-VA de slimmigheid zal bezitten om de CD&V in het debat mee te sleuren en zal uitpakken met wat beide partijen gemeen hebben: de confederalistische doelstelling. Als de N-VA haar doelstelling heeft verloochend, dan ook de CD&V, zal het luiden!

Nu, Beke is geen meneer die fier thuis hoort in de galerij van Eyskens, Tindemans, enz., maar hij is een zeer behendig dorpspoliticus, en bestuurt zijn partij op het niveau van zijn inzichten. Hij praat goed en graag, en ritselt compromissen bij elkaar als de besten. (Denk aan de regering Di Rupo, door hem mogelijk gemaakt.) Laat hem maar voortgaan met compromissen te maken. Op de duur zal zijn partij van compromis tot compromis naar de ondergang strompelen, de Volksunie – ja, en ook Bekes grote voorbeeld Schiltz – achterna.

 MARK GRAMMENS