De Franse ‘bevrijders’ (2)

De Zuidelijke Nederlanden zijn begin 1794 één van de welvarendste regio’s van heel Europa, dankzij een arbeidzame bevolking die op landbouwgebied vernieuwend is. Op één jaar tijd slagen de Franse ‘bevrijders’ erin door hun roofgierengedrag die hoge levensstandaard te kelderen.

Libre-sur-Sambre

Onmiddellijk na de nieuwe Franse invasie van juli 1794 steken de collaborateurs van twee jaar tevoren weer de kop op. Ze planten overal zogenaamde vrijheidsbomen die dikwijls ’s nachts vernield worden. Ze brengen in stoeten hulde aan de overweldigers en ze veranderen, zoals alle totalitaire aanhangers, namen die hen niet bevallen. Charleroi bijvoorbeeld wordt Libre-sur-Sambre. De belangrijkste kerken worden in beslag genomen voor belachelijke plechtigheden als de “Culte de la Raison”, waarna ze “Tempels van de wet” worden. De gelovigen moeten maar naar een kleinere kerk uitwijken. De Fransen gaan er meteen met de grove borstel door. Er moet zoveel mogelijk geroofd worden in de naam, en Parijs staat niet toe dat er verbroederd wordt. Officieel moeten alleen de rijken betalen, zodat alle muntgeld naar Frankrijk vloeit. In de praktijk draait die politiek natuurlijk uit op een ramp, die vooral de kleine mensen treft.

Corruptie op grote schaal

Een deel van de rijken vlucht naar Duitsland, maar met hen stopt ook de werkgelegenheid die zij bieden. De Franse inval verhindert de import van wol, suiker, tabak, verf en andere belangrijke producten voor de economie, dus zijn de ambachtslui, de ongeschoolde arbeiders en de vele mensen op het platteland die als thuiswever iets bijverdienen het haasje. De weinige belangrijke goederen die uit het buitenland arriveren, geraken niet ter plaatse. Het Franse leger heeft haast alle karren, paarden en platbodems in beslag genomen. Binnen een paar maanden stijgt de werkloosheid dramatisch. In Gent verliest meer dan de helft van de arbeiders zijn werk. In Leuven houdt nog slechts 10 procent van de arbeiders het hoofd boven water. In de steden heerst veel verdoken armoede. Nogal wat mensen leven deels van renten op overheidspapier, die niet langer uitbetaald worden. Franse commissarissen slaan de overblijvende rijken soms voor fantastische sommen aan, naargelang het hun uitkomt. In de praktijk eindigt dat met corruptie op grote schaal. Franse generaals en gezanten knijpen graag een oogje dicht als er goed geld in de eigen zakken terechtkomt. In totaal stijgt de fiscaliteit in de Nederlanden op één jaar tijd gemiddeld met 56 procent per persoon.

Grafdelvers hebben het druk

Natuurlijk is vooral het platteland het grootste slachtoffer van de inbeslagnames van gewassen, melk en vee. Veel plattelanders worden bij de kraag genomen om allerlei klussen op te knappen die de soldaten niet zelf doen. Feitelijk zijn de vroegmiddeleeuwse herendiensten weer terug, maar deze keer ter wille van de ‘progressieve bevrijders’. De Fransen hebben hun mond vol over de verderfelijke rol van de Kerk, maar ze denken er niet aan de gehate kerkelijke tienden af te schaffen die de boeren moeten leveren. Die tienden blijven bestaan en gaan voortaan naar de bezetter. De historicus denkt aan de vergelijkbare maatregel van de Duitsers in 1941, die in het ‘bevrijde’ Oekraïne ook de collectieve kolchozen en sovkozen handhaven want veel gemakkelijker te plunderen dan kleine individuele boerderijen. Eind 1794 degenereert de toestand volledig. De winter is één van de strengste van de eeuw en soelaas is er niet. De kerkelijke graanschuren die anders mensen helpen de winter door te komen, zijn door de Fransen leeggeroofd. De andere klassieke hulpbron – leveringen door Hollanders en Zeeuwen van Baltisch graan – is ook afgesneden, want de handelaars weigeren de waardeloze Franse assignaten. In het spoor van de ongedisciplineerde Franse soldateska woekeren overal besmettelijke ziektes, zoals dysenterie en tyfus, omdat paardenkadavers en zelfs lijken liggen te rotten. Feitelijk ontsnappen alleen de arbeiders in de gieterijen en de mijnen aan de hele malaise, omdat de Fransen hen nodig hebben, om kanonnen en geweren te produceren. Zij krijgen dezelfde rantsoenen als de soldaten. Aangezien de hele wapenindustrie langs de Samber en de Maas gevestigd is, ontsnapt een deel van de Walen aan de ellende, wat nog altijd een rattachistische sympathie verklaart. Maar elders hebben alleen de grafdelvers het druk. In sommige gemeenten sterven negen keer meer mensen dan in vorige jaren. Waar het wat beter gaat, ligt het sterftecijfer nog altijd vier keer hoger dan normaal. Grote delen van het platteland zijn bijzonder onveilig omdat overal werkloze landarbeiders roversbenden vormen. Tijdens die jaren begint Louis Baekelandt aan zijn misdadigersloopbaan.

Roofkunst

Uiteraard verloopt de rooftocht niet altijd van een leien dakje. Ondanks alle geweld en intimidatie is op een jaar tijd maar 40 procent van de verhoopte buit ingezameld. De Fransen hopen de zaken wat te bespoedigen door eerst priesters, dan edelen en vervolgens ambachtslui, zelfstandigen en zelfs boeren gevangen te nemen, als gijzelaars, en hen naar Frankrijk te sturen tot het geëiste binnen is. Ze richten in de grote steden ook ‘Comités de surveillance’ op, waar collaborateurs en spionnen klachten indienen over Nederlanders die te weinig enthousiasme voor de Franse komst tonen. Maar men kan niet zeggen dat de Fransen geen cultuur bezitten; integendeel. Al tijdens de invasie krijgen twee officieren het bevel om alle schilderijen en beeldhouwwerken “van een aannemelijke kwaliteit” op te laden en naar Frankrijk te zenden. Nauwelijks een maand later verschijnt een commissie van specialisten die, naast de bezige officieren, het dievennet systematisch uitbreidt. Eén van de dieven is een liefhebber van de Vlaamse schildersschool met een zwak voor  Rubens, dus verdwijnen de belangrijkste schilderijen naar het Zuiden. Ook waardevolle boeken, manuscripten (de Bourgondische bibliotheek) en zelfs zaden, planten en fossielen worden gestolen. 50.000 kunstschatten verdwijnen naar Frankrijk en blijven daar ook na de eerste abdicatie van Bonaparte. Slechts na Waterloo moeten de Fransen de geroofde kunstwerken afstaan. Wellington zendt zelfs Britse bataljons het Louvre in om met geweld de kunstschatten op te eisen. Veel is inmiddels verdwenen naar de provincie, waar nog altijd Franse musea grote sier maken met gestolen Nederlandse kunst.

De Nederlanders beseffen vlug dat er maar één methode is om die Franse sprinkhanenplaag te stoppen. Hulp van hun wettige vorst moeten ze niet verwachten. Keizer Franz heeft bij de komst van de Fransen alle vorstelijke instellingen ontbonden en hij geeft zijn Nederlanders nog een trap na. Hij beschuldigt hen dat ze te weinig goede wil tonen om hun land, godsdienst en ‘mon autorité légitime’ te verdedigen. Aan de Britten vraagt hij geld om de Nederlanden te heroveren, maar aan de Fransen laat hij heimelijk verstaan dat ze die lastposten best kunnen krijgen in ruil voor Beieren en wat Italiaans vastgoed. Twintig jaar later, na de val van Bonaparte, stuurt hij de Nederlanders, die hem vragen weer het bewind te voeren, het bos in. De oplossing voor de misère bestaat dus in annexatie. Een zogenaamd nationaal comité vraagt nederig om Franse burgers te mogen worden, zodat de rooftochten stoppen. De voornaamste buit is binnen, dus stemmen de Fransen genadiglijk toe. Op 1 oktober 1795 worden de Nederlanden en het vroegere prins-bisdom Luik negen nieuwe departementen van de Republiek. Niemand weet dat er nog een bloedige coda volgt.

Jan Neckers