Aqui se habla flamenco

Ik zat reeds een hele tijd alleen en dat mocht wel eens. De ene dag is de andere niet, en soms kunnen bankgenoten ook op de zenuwen werken. Gezelschap heb ik natuurlijk nodig om aan kopij te geraken. Een sinjoor voorziet echter alles. Daarom heb ik altijd een reservebijdrage klaarliggen. Daardoor kon ik het me permitteren te luieren, te denken en te gapen. In één woord, nietsdoen. Mij gewoon thuis voelen in mijn stad, zolang dat nog duurt. Hersens hebben ook hun rust nodig.

Vóór ik naar het terras vertrok, had ik de krant gelezen. Wat een ophef! Een nieuwe voetbaltrainer mag de belgische beloften trainen en in overwinningsbanen leiden. De arme (?) man spreekt echter geen Nederlands en daarom moet hij onze taal leren. Dat is toch heel normaal. Geen nood, de belgische bond betaalt de studies. Kan het nog gekker?

De laatste tijd hoor ik in mijn omgeving meer vreemde talen dan Nederlands en dat vind ik niet prettig. Zij die zich vanuit een ander land hier hebben gesetteld, moeten tenminste het Nederlands beheersen. Logisch, toch?

Plotseling stond een man voor mijn bank. Hij stelde me een vraag in het Frans. Nu is Frans niet mijn lievelingstaal. In alle eerlijkheid, ik beheers ze niet goed – en misschien hou ik er daardoor niet van -, behalve wat betreft sommige liedjes zoals dat van Dalida: ‘Buenas noches, mi amor. Bonne nuit, que Dieu te garde.’ Maar dat begint dan ook in het Spaans, mijn lievelingstaal.

Vraagt een toerist mij een inlichting in zijn taal, dan probeer ik, als een beleefd persoon, hem te helpen. Nieuwe belgen die me wat vragen in hun oorspronkelijke taal, antwoord ik in het Spaans.

De man die voor mijn bank stond, was zichtbaar geen toerist. Dus zei ik hem in het Spaans: “Aquí se habla flamenco. No puedo ayudarte. (Hier spreekt men Vlaams. Ik kan je niet helpen).” Daarmee was ik van hem verlost, dacht ik.

Toen gebeurde er iets totaal onverwacht.

De man zei in het Spaans: “También hablo a español. Dónde está la estación de tren?” (Ik spreek ook Spaans. Waar is het treinstation?)

Had ik een Spanjaard voor me? Waarom sprak hij me dan eerst in het Frans aan? Hij bleek echter een Marokkaan te zijn die in de Spaanse enclave Melilla Spaans had geleerd. Hij was erin geslaagd in Spanje te geraken. Maar omdat het daar te moeilijk werd, was hij verder uitgeweken, naar Frankrijk. Daar had hij stiekem gewerkt en Frans geleerd. Zijn uiteindelijk doel was Duitsland te bereiken. Voor zo een uitzondering streek ik over mijn hart en ik legde hem uit hoe hij het station kon bereiken. De man verdween.

Meteen dacht ik terug aan een tijd heel lang geleden. Om mijn toenmalig karig loon aan te vullen, kon ik in de zomermaanden wat extra bijverdienen als gids op touringcars. Het begon met kleine reisjes naar de Rijn en de Moezel in Duitsland. En daarna moest ik naar Spanje.

Onderweg betekende dat overnachten in Frankrijk. Daar kreeg ik van de hotelbaas al onmiddellijk te horen dat mijn Frans abominabel was.

In Spanje verliep het vlotter. Tenslotte bracht ik toeristen aan die gul waren met hun geld. Contact leggen ging meestal in het Engels, omdat ik toen geen Spaans kende. Met als gevolg dat ik bij mijn eerste Spanjereis al een fikse boete aan mijn broek kreeg.

Reed je met een touringcar Spanje binnen, dan moest de gids aan de grens een reisformulier invullen met een hoop informatie. Waar je ging logeren. De namen en de paspoortnummers van alle klanten. Welke uitstappen je ging maken…

Tijdens een rit naar het stierengevecht kregen we onderweg controle van de guardia civil. Bleek dat ik op het formulier een foute datum had ingevuld. Betalen!

Dat overkwam me geen twee keer. De hele winter volgde ik Spaanse les. Het jaar daarop was mijn Spaans voldoende om er vrienden te maken. Deuren die voorheen gesloten bleven, gingen open. De taal van het land spreken waar je verblijft of werkt, is belangrijk.

Een vreemde belg die mij in zijn oorspronkelijke taal aanspreekt, antwoord ik in het Spaans. Ze komen niet allemaal uit Melilla.

TdW