Ik heb hier al geschreven dat ik graag naar historische tv-documentaires kijk bij Franse zenders. Ook Arte zendt mooie dingen uit, maar het blijft soms kwakkelen, want die Frans-Duitse zender beschildert zich graag met politiekcorrecte verf.

Doden of gedood worden

Een paar weken geleden was er een mooie reconstructie van het leven van Dzjengis Khan. Dat was een Aziaat, geen blanke, en dus kregen we ronkende zinnen over de geniale legeraanvoerder, maar geen woord over de barbaarse slachtpartijen van Peking tot Krakau door een troep onmensen. De Mongolen van Dzjengis zijn in de ogen van hun tijdgenoten minder dan wilde dieren, want die doden niet uit plezier. De Mongolen zijn bij de geboorte van de latere veroveraar (1162) nog altijd nomaden die in vilten tenten leven en geen benul hebben van landbouw. Ze jagen. Ze hebben geen schrift en ze wassen zich nooit, noch hun kleding. De stank van hun verschijning wordt later zelfs een wapen. De Mongolen zijn verdeeld in clans die, in wisselende bondgenootschappen, voortdurend oorlog voeren over paarden, ossen en vrouwen. Veelwijverij is vanzelfsprekend. Het motto van hun harde, korte en gevaarlijke leven is doden of gedood worden. Maar zij die het overleven zijn superbe vechtersbazen die met hun kleine maar taaie paardjes enorme afstanden afleggen in de steppen van Centraal-Azië, waar je stikt in de hitte en het stof in de zomer en bevriest in de winter.

Een leven van roven en moorden

Alleen een militair en organisatorisch genie als Dzjengis (eerst na zijn dood wordt Khan aan zijn naam gekleefd) kan zich naar de absolute heerschappij vechten. Hij verliest jong zijn vermoorde vader en de familie wordt uit de clan gestoten omdat Dzjengis te jong is om hem op te volgen. Dankzij diefstal, geweld en sluwheid overleeft de familie, waarbij Dzjengis en passant een broer vermoordt. Zijn militair inzicht, meedogenloosheid en doeltreffendheid vallen op en hij wordt weer in de clan opgenomen die hij vlug domineert. Vanaf dan is het een saai maar constant verhaal over oorlogen en allianties, moorden en intriges tot hij als eerste erin slaagt alleenheerser te worden van de Mongolen en sommige met hen verwante Turken. De methodes van Dzjengis zijn efficiënt en genadeloos. Hij stampt er de discipline in bij zijn groeiende legers en ‘Befehl’ is letterlijk ‘Befehl’. De doodstraf is de prijs voor iedereen die niet dadelijk gehoorzaamt. Hij hanteert bewust gruwelijke terreur als politiek middel. Tegenstanders die zich overgeven, krijgen eerst genade maar worden vervolgens meestal tot de laatste persoon uitgeroeid tenzij ze nuttige ambachtslui of jong en vrouwelijk zijn. Als de Mongoolse rangen uitdunnen, spaart hij wel vijanden die zich overgeven. Die worden in kleine eenheden bij grote Mongoolse bataljons ingelijfd. Met behulp van sjamanen (tovenaars) roept hij zichzelf uit als de belangrijkste religieuze leider en de enige vertegenwoordiger van “de eeuwige blauwe hemel”. Maar zijn keiharde bewind biedt zijn volgelingen ook voordelen: een leven dat uit niets anders bestaat dan vechten, moorden, plunderen en roven, plus slaven en veel jonge en nieuwe vrouwen die de keel overgesneden worden als de eigenaar nieuw vlees wil.

Kleine maar efficiënte legers

Dzjengis is al de veertig voorbij wanneer hij Mongolië verlaat om de klauwen naar nog veel meer lekkers uit te steken. In lange campagnes verovert hij Noord-China. Tot zijn verwondering zijn er zoveel Chinese boeren dat hij ze niet allemaal kan afslachten. Zijn legers tellen alleen maar cavaleristen, dus kunnen her en der wat steden verzet bieden. In een eerste veldtocht kan hij Peking niet veroveren, maar hij spaart Chinese ingenieurs die voor hem belegeringstuigen bouwen. Bij zijn tweede verschijning veroveren zijn soldaten de stad en ze plunderen en moorden een hele maand lang. Aan zijn hof verblijven een paar diplomaten van rijken in het westen van Azië en zij schrijven de eerste verslagen uit de eerste hand over de Mongoolse gruwelen. Dzjengis profiteert van de angst die uit de rapporten spreekt. Hij laat zijn horden los op wat vandaag Oezbekisten, Turkmenistan, Kirgizië, Irak, Afghanistan en Iran is. Zijn generaals winnen velslag na veldslag waarna de geweldsorgie begint. Tenslotte verschijnen de Mongolen eventjes in christelijke staten als Georgië en Kiev-Rusland, waar ze hun reputatie getrouw zijn. Hun legers schijnen onoverwinnelijk, hoewel ze bijna altijd ver in de minderheid zijn. Maar ze gebruiken soms effectieve trucs. Ze zetten poppen op hun reservepaarden. Ze rijden bij valavond en nacht met drie of vier fakkels in de hand en ze verschijnen altijd in een breed front, wat de indruk wekt dat achter hen nog rijen en rijen ruiters komen. Waarschijnlijk tellen al de legers van Dzjengis maximum 120.000 soldaten, maar zelfs een leger van 13.000 man onderwerpt hele naties door moed, discipline en uithoudingsvermogen. Desnoods slapen de Mongolen op hun paard. Hun bogen hebben een dodelijk bereik over een afstand van 300 meter en de ruiters kunnen 200 tot 300 kilometer per dag afleggen terwijl traditionele legers hoogstens een tiende aankunnen. De Mongolen verschijnen altijd vlugger dan verwacht en ze drijven als geoefende jagers de plaatselijke inwoners voor zich uit, die ze dwingen tegen de eigen landgenoten te vechten of anders vermoord te worden. De cavaleriemanoeuvres zijn volmaakt gesynchroniseerd en de Mongolen bezitten een verfijnd signalensysteem met vlaggen, hoorns en lantarens bij nacht, dat slechts overtroffen wordt wanneer telefoons op het slagveld verschijnen.

Aziatische wreedheid

Op zijn oude dag wordt Dzjengis meer en meer een organisator die zijn legers niet zelf aanvoert maar coördineert. Maar ook als opperbevelhebber heeft hij nooit in de eerste linies gevochten omdat hij – in tegenstelling tot de domme bravoure van veel vijanden – weet dat de goede generaal het overzicht over het slagveld moet behouden. Het begint hem zelfs te dagen dat er meer welstand gegenereerd wordt voor hem, zijn familie en zijn edelen als hij boeren belasting laat betalen in plaats van ze te vermoorden. Om zijn legers vlug te verplaatsen, laat hij gemakkelijke en zeer veilige routes aanleggen. Na een tijd gebruiken mohammedaanse handelaars die wegen om gemakkelijk en vlug luxegoederen te vervoeren van oost naar west en omgekeerd. Dat zijn ook de wegen waarover later Willem van Rubroek en de familie Polo reizen. Dzjengis begrijpt dat zijn reusachtige rijk een solide wetgeving en zelfs een schrift nodig heeft en hij voert dat ook in. Maar het is nooit zijn bedoeling een echte staat te stichten, want met zijn mentaliteit is alles het persoonlijke bezit van zijn clan. Na zijn dood in 1227 stopt de Mongoolse agressie niet. Zijn opvolger, die de titel Grote Khan draagt, laat de eerste Russische staat vernietigen en inlijven. De Mongolen verslaan vervolgens Hongaarse en Duitse legers, maar ze stoppen met hun opmars naar West-Europa als de Khan sterft. Ze komen niet meer terug, want het terrein bevalt hen niet: te veel bergpassen waar ze hun cavalerie niet kunnen ontplooien en vergeleken bij China en Perzië is daar ook te weinig buit. Na de dood van Dzjengis’ zoon gebeurt het onvermijdelijke. De dzjengissiden beginnen te ruziën en het rijk valt uiteen in grote delen, waar familieleden soms nog honderden jaren heersen. Eeuwenlang is “Aziatische wreedheid” een begrip in de geschiedschrijving en het communisme is daar een voorbeeld van.

Jan Neckers