Opnamedatum: 2012-08-16Dit jaar is het tweehonderd jaar geleden dat de Republiek der Verenigde Provincies en de Zuidelijke Nederlanden werden samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, met Willem I, een telg uit de Oranjedynastie, als koning. Gent, dat heel wat te danken heeft aan Willem I, viert dat met tal van initiatieven, onder de noemer ‘Gent kleurt Oranje’. Blikvanger is de tentoonstelling ‘Het verloren koninkrijk’ die vandaag 15 oktober opent in het STAM.

Waterloo en de moeilijke start

De tentoonstelling begint in 1815 bij de Slag bij Waterloo, met enkele mooie stukken uit het Rijksmuseum Amsterdam en de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag. Die focussen op kroonprins Willem (1792-1849), voor veel Nederlanders de held van Waterloo. Hij kreeg een kogel in de arm tijdens de gevechten en op die plek liet zijn vader, Willem I (1772-1843), in 1826 een Hollands monument oprichten: de Leeuw van Waterloo.

Toen Napoleon definitief was verslagen, zaten Oostenrijk, Pruisen, Rusland en Groot-Brittannië al een klein jaar rond de tafel op het Congres van Wenen in een poging de kaart van Europa te hertekenen. In mei 1815 hadden de vier mogendheden de Zuidelijke Nederlanden voorlopig toegewezen aan het nieuwe Nederlandse koninkrijk. Met de Slotakte van het Congres van Wenen van 9 juni 1815 vernamen de inwoners in het Noorden en het Zuiden dat ze voortaan landgenoten waren.

Willem I, die al lang droomde van een hereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, voerde een campagne om het Zuiden bewust te maken van het gemeenschappelijke grootse verleden. Maar de kloof, veroorzaakt door de eeuwenlange scheiding, bleek te diep. Katholieken en Franstaligen in het Zuiden voelden zich niet verbonden met de protestantse ‘Hollanders’. Het jonge koninkrijk kende een moeilijke start. De tentoonstelling illustreert dat met de perikelen rond de nieuwe grondwet. Het Zuiden stemde die weg, maar Willem I gebruikte een trucje om ze toch als goedgekeurd te beschouwen. Het was een conservatieve grondwet met een dominant staatshoofd en zonder scheiding der machten.

Grote ambities, veel gerealiseerd

Willem I had grote ambities voor zijn koninkrijk, dat hij wilde laten uitgroeien tot een staat die meetelde in Europa. Hij nam heel wat maatregelen om de industrie, de infrastructuur en het onderwijs uit te bouwen.

De koning nam initiatieven om de handelstraditie van het Noorden te koppelen aan de industriële ontwikkeling in het Zuiden. Hij stichtte een fonds dat financiële steun gaf aan textielondernemingen die technische vernieuwingen niet zelf konden realiseren. De belangrijkste begunstigde was John Cockerill, die in Seraing zijn industrieel imperium uitbouwde. In 1822 was er de oprichting van de Société Générale; de koning bezat 82 procent van de aandelen. De tentoonstelling toont dat de inspanningen van de koning loonden. De jaren 1820 waren gouden jaren voor de Gentse katoenindustrie. Nederlands-Indië werd de belangrijkste afzetmarkt voor Gents katoen. Ook in Antwerpen waren reders en handelaars opgetogen over het beleid, want in 1829 overvleugelde de Antwerpse haven die van Rotterdam en Amsterdam. Willem I wist zo de steun te verwerven van de economische elite in het Zuiden.

Willem I had nog een ambitieus masterplan: de havens van Rotterdam, Amsterdam en Gent een rechtstreekse verbinding geven met de Noordzee. Dat het STAM de aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen extra belicht, mag niet verbazen. Het is tot vandaag van cruciaal belang voor de Arteveldestad. Ook Wallonië kreeg zijn deel, met de kanalen Bergen-Condé, Pommeroeul-Antoing en Brussel-Charleroi. Willem I stond grotendeels zelf in voor de financiering van al die kanalen, al had hij er een flinke portie creatieve boekhouding voor nodig.

De koning plande in het Zuiden een inhaalbeweging voor alle vormen van onderwijs, dat onder de Fransen zwaar was verwaarloosd. Er kwamen nieuwe universiteiten in Gent en Luik, en die van Leuven werd heropgericht. Wetenschappelijke en culturele instellingen zagen het licht. De opleiding van onderwijzers en leraars werd georganiseerd.

Opstand en orangisme

Al deze realisaties konden niet verhinderen dat de ontevredenheid over Willems beleid aanzwol. Het aanslepende conflict met de Kerk werd vooral in het onderwijs uitgevochten, wat leidde tot een schoolstrijd in het zuiden. Willem droomde ervan het Nederlands als enige bestuurstaal in het hele koninkrijk op te leggen. Hij installeerde Nederlands onderwijs in de Waalse provincies. Willem mag dan wel het Nederlands in Vlaanderen gered hebben, in Wallonië en bij Franstaligen in Vlaanderen groeide het protest. De vele en grootse plannen van de koning kostten handenvol geld en hij zag zich genoodzaakt de belastingen te verhogen. Dat zorgde voor extra gemor. De aanzwellende disputen en conflicten zijn in de tentoonstelling visueel gemaakt met vele spotprenten van de oppositie tegen de koning en propagandaprenten die Willem I bejubelen.

In de jaren 1820 ontstond er een alliantie van katholieken, die niet aanvaardden dat de Kerk ondergeschikt was aan de staat, en liberalen, die moeite hadden met Willems autoritaire regeerstijl en met het gebrek aan persvrijheid. De oppositie mobiliseerde via petities, die in de tentoonstelling niet ontbreken. De opstand en de scheiding ronden het verhaal chronologisch af.

‘Het verloren koninkrijk’ is de titel die de tentoonstelling deelt met het boek van Els Witte over het verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie van 1830. Het orangisme komt in het STAM ruim aan bod. De scheiding had catastrofale gevolgen voor de industrie in het Zuiden. De meeste orangisten waren dan ook te vinden bij de economische toplaag. Rond 1835 legden veel orangisten zich neer bij ‘België’. Kleine kernen hielden het vol tot in de jaren 1840. Een opmerkelijk figuur in dit deel is de Gentse advocaat Hippolyte Metdepenningen (1799-1881), een orangist tot in de kist.

Het is opvallend dat het STAM heel wat interessante stukken heeft kunnen ontlenen aan het Nationaal Archief en de Koninklijke Verzamelingen in Den Haag en aan het Rijksmuseum in Amsterdam. Blijkbaar liepen de bruiklenen heel wat vlotter met deze Nederlandse instellingen dan met onze koninklijke musea in Brussel.

MMMV