2015-41_02_Onze progressieve provinciaaltjes (Medium)Handleiding voor het islamdebat (5)

De psychologie van de islampleitbezorgers is niet erg ingewikkeld. Het belangrijkste onderscheid binnen deze categorie is die tussen schurken en dwazen. Sommigen liegen waar je bijstaat en zeggen al wat nodig is om hun gelijk te halen. Anderen (de meesten, de meelopers met de heersende ideologie) zijn zo naïef en schaapachtig dat ze het islamvriendelijke vertoog echt geloven.

Vreemd

Bijvoorbeeld, Knack blokletterde recentelijk: “Zijn wij echt zo bang van moslims dat we hun voedsel niet durven eten?” (Ann Peuteman, 8 september) De vraag is meervoudig verkeerd gesteld. Ten eerste gaat zij ervan uit dat het verzet tegen het opleggen van halâl-voeding uit angst voortkomt. Nee, het is niet angst, wel zelfrespect en de democratische weigering van een sluipende invoering van het halâl-gebod zonder dat de bevolking daar ooit voor gekozen heeft.

Peuteman impliceert ook dat het een kwestie van vreemdheid is: de islam zou angst inboezemen omdat hij exotisch is. Dat heeft er niets mee te maken: Vlamingen die een Tibetaanse monnik of een Indiase vrouw in sari zien, beschouwen dat als kleurrijk en zijn daarvan eerder gecharmeerd, terwijl ze een hoofddoek sinister vinden. Het verschil is dat zij in de islam integratieweigering en veroveringsdrang vermoeden.

Tenslotte weet iedereen dat Vlaamse vleeseters niet moeilijk doen over de slachtwijze van hun maaltijd. Het zijn juist de moslims die daar een zaak van maken en op halâl aandringen. De juiste vraag zou geluid hebben: “Zijn moslims echt zo vies van ons dat ze ons voedsel niet willen eten?”

Zou je het tot Knack-redactrice kunnen schoppen zonder dat te weten? Het zou natuurlijk verregaande domheid plus een zelfbeschuldigende reflex kunnen zijn, maar waarschijnlijker is het een arglistige uiting van minachting voor het publiek, dat zelf voor zo dom gehouden wordt.

Haat

Islampleitbezorgers zijn meestal oudgedienden van verscheidene offensieven tegen wat zij als de traditionele cultuur zien, en die een nieuwe frontlinie voor hun eeuwige strijd gevonden hebben, Met het proletariaat de revolutie maken en een samenleving scheppen waarin de gehate oude elites zich vreemd zouden voelen, dat is niet te best gelukt. Maar een gedeeltelijke vervanging van onze bevolking door nieuwkomers, dat zou betere kansen op welslagen hebben, vandaar hun keuze voor het neoracisme (“antiracisme”), anti-“wit” en pro open grenzen. Als die nieuwkomers dan nog eens een hechte gemeenschap zijn, verbonden door een ideologie van machtsstrijd en onderwerping, zullen ze de behoudsgezinden helemaal wanhopig maken en vernederen. En daar gaat het toch om.

Eens in voldoende aantal zullen moslim-nieuwkomers ook voor de progressieven niet vriendelijk zijn. Na hun steun aan de splitsing van India (1947), afgedwongen door de moslims omdat zij een minderheidspositie in een pluralistische eenheidsstaat weigerden, moesten de communisten uit het Pakistaans geworden Oost-Bengalen vluchten. Na hun bondgenootschap tegen de sjah werden de Iraanse communisten door Chomeini-aanhangers uitgemoord. Onze linkerzijde kan weten wat haar wacht hoewel ze er doldriest op afstevent. Maar dan nog zullen de gehate rechtsen zich alleszins van wanhoop de haren uit het hoofd trekken, en dat is wat telt.

Onze progressieven worden namelijk niet bewogen door een positief project, wel door haat. Het eigen welzijn is ondergeschikt aan de vernietiging van de vijand: het eerste is welkom, maar het tweede is wat zij écht willen. Daarom dat feministen nu de hoofddoek verdedigen, tegen al hun vroegere standpunten in. Dat is weliswaar inconsequent, maar de rechterzijde ergert zich dood aan die hoofddoek, en daar komt het tenslotte op aan. Voortschrijdende islamisering heeft geleid tot seksslavernij in Irak, ontvoeringen in Nigeria en een verkrachtingsgolf in Zweden, maar toch durven onze feministen de islamisering niet als hét probleem van deze tijd te identificeren.

Provinciaal

Onze islamvrienden zijn hopeloze provinciaaltjes, bijziend in tijd en ruimte. Zij denken dat het moderne Westen aan alles schuld heeft, ook aan islamitische beleidsdaden van eeuwen geleden. Zij zijn echt, om hun eigen term te gebruiken, “witte supremacisten”, want voor hen kunnen moslims niets uit eigen beweging doen: er moet altijd een “witte” hand achter zitten. (Het dooreenhaspelen van huidskleur en religie komt niet van mij, het is slechts een weergave van hun eigen standpunt.) In hun kinderlijk egocentrisch wereldbeeld zijn Mohammeds aanvalsoorlogen slechts een reactie op het kolonialisme van duizend jaar later; en de verovering van Spanje in 701 was maar een tegenzet tegen het opleggen van een “zionistische entiteit” aan de islamwereld in 1948. Lees hun geschriften er maar op na: in de vele analyses van de “radicalisering” komt de veertien eeuwen oude factor “islam” niet voor, het is allemaal veroorzaakt door wangedrag van westerlingen.

Vandaar ook het dooreenhalen van islamkritiek met racisme. Daar zijn volop tegenvoorbeelden op te geven, van de Arabische islamkritiek over die door hindoeïstische “raafkoppen” (een minachtende term van de blanke Turkse veroveraars voor de donkere inboorlingen) tot die van hedendaagse ex-moslims; maar de kennis van onze provinciaaltjes reikt zo ver niet. In de Lage Landen valt de tegenstelling tussen islam en ongeloof heel ruwweg samen met die tussen inheems en uitheems en met die tussen verschillende schakeringen van blank. Als je onder de klokkentoren een moslim tegenkomt, is er veel kans dat hij uitheems is. Niet ernstig raciaal verschillend, want Turken en Bosniërs, sommige Marokkanen en nu ook vele Syriërs blijken gewoon blank te zijn. Maar onze neoracisten hebben een hyperfocus voor “ras”, en zullen rasverschillen zien waar die in werkelijkheid geen rol spelen.

Die blikvernauwing en dat etiologische egocentrisme (zichzelf de oorzaak van alles wanen) zijn diep geworteld in een recente doch voorbije positie in de wereld. Zo beweren velen dat we het migratieprobleem kunnen oplossen via meer ontwikkelingssamenwerking; de werkelijkheid is dat we onze eigen financiën nog niet in orde krijgen, laat staan dat we welvaart zouden kunnen scheppen in pakweg Afrika. Of dat wij als “rijke” landen asielzoekers moeten opvangen, terwijl rijkere en dunbevolkte landen als Saudi-Arabië (waar vluchtende Syrische moslims qua taal of religie geen integratieprobleem zullen stellen) terloops even vergeten worden. Die in wezen hoogmoedige zienswijze is een traagheidseffect van een machtspositie die ooit werkelijk het geval was, toen Europa de wereld regeerde. Wie alert is voor het evoluerende wereldgebeuren, is daar allang aan voorbij, maar onze multiculturele heikneuters zijn blijkbaar niet meegegroeid.

Status

Om te besluiten besteden we aandacht aan het volgehouden optimisme van onze progressieven tegen de machtsambities van de islam. Dat is vooral een kwestie van status. Zich zorgen maken, dat is voor het vulgus, omdat de gevolgen van het islamiseringsbeleid immers in eerste instantie vooral dat vulgus zal treffen. Daarna zal de elite, of minstens haar kinderen, aan de beurt komen, maar dan is het toch te laat. Die elite gaat er in stilte van uit dat zij ook onder een gewijzigde politieke constellatie haar belangen wel zal kunnen veiligstellen. Voor volkssoevereiniteit heeft zij niets dan minachting (“populisme”): de massa wordt best geleid door verlichte despoten zoals de euro- en mediacraten.

“Islamofoob” is gewoon een codewoord voor “plebejer”. Best vermakelijk, als je weet dat het hier de onwetenden zijn die op de beter geïnformeerden neerkijken. Zoiets als een kind dat volwassenen op hun nummer zet: “Sommigen beweren zelfs dat je ouders dat speelgoed in je schoen leggen. Geloof hen maar niet: het is Sinterklaas.”

Koenraad Elst