Culturele centra

Er wordt dezer dagen steen en been geklaagd over de programmaties in de vele tientallen culturele centra die ons Vlaanderen nu al rijk is en in mindere mate de gemeenschapscentra en de ontmoetingscentra. Geklaagd door de artiesten die te weinig aan bod kunnen komen en die, als ze nog speelplaats willen krijgen, met minder muzikanten en voor minder geld moeten komen optreden.

Het moment is immers daar voor de evenvele theaterbureaus en boekingskantoren, die meestal vanaf oktober proberen hun hele artiestenportefeuille te slijten aan de programmatoren van zowel kindertheater als volwassenenvoorstellingen, dit voor de speelperiode van najaar 2016 en voorjaar 2017. De vertegenwoordigde artiesten hopen dan meestal op een schier oneindige lijst van optredens die dan met al dan niet veel fierheid op het drukwerk getoond kunnen worden.

De culturele centra worden vervolgens overspoeld door een overaanbod aan artiesten en krabben zich dan in het haar: voor welke artiesten zou de zaal nog vollopen, voor welke artiesten komt de rotverwende theaterbezoeker nog uit zijn luie stoel, hoe kunnen we ons abonnementensysteem aantrekkelijk maken en hoe kunnen we de concurrerende culturele centra uit de buurt de loef afsteken? De keuzes moeten gemaakt worden en de bezoekersaantallen worden de heilige parameter.

Er zijn natuurlijk, dankzij God, de projecten waarin de BV gebombeerd is tot publiekstrekker. Deze projecten komen op de eerste plaats, tot eer en glorie van de vedette en van de gelukkige medeartiesten die in het project opgenomen zijn, met dank aan de creatieve manager en de “goodwill” van de BV. Deze projecten verkopen als zoete broodjes, ongeacht de kwaliteit ervan en de herhalingsfactor.

Er zijn de komieken, de ene al wat straffer dan de andere, de ene al wat voorspelbaarder dan de andere, de ene al wat brutaler dan de andere. Geringe uitkoopsom, weinig techniek nodig, eenvoudig concept, het volk lacht graag, heel veel komieken in aanbod, dikwijls met vier op één avond, en dikwijls opgevoerd in vele televisieprogramma’s.

Tot overmaat van ramp zijn er de supervedetten die het imago van het cultureel centrum oppoetsen en die in staat zouden moeten zijn een ander dan gewoonlijk publiek naar de tempel van cultuur te loodsen. Er is één probleem: het budget. De Clouseaus, de Bart Peetersen en de Milows van deze wereld vragen een indrukwekkende uitkoopsom aan de programmator en als A niet hapt, dan zal de naburige B wel graag bevestigen. Ergo: een volle zaal, maar dat is ruimschoots onvoldoende om financieel rond te komen en de avond zelfs nog maar budgettair in evenwicht te kunnen krijgen.

Gevolg: geen budget meer om de rest van het seizoen in te vullen met artiesten die aan de deur komen kloppen en die ook best een podium verdienen. Geen risico’s meer; een halfvolle of slecht gevulde zaal zou het geleden verlies nog groter maken. Geen geld meer om te durven programmeren en de abonnees te kunnen overtuigen van het talent en de kwaliteit van jong en nieuw talent. Dus kunnen we besluiten dat de subsidies die de culturele centra ontvangen, gebruikt worden om reeds gevestigde grote waarden nog groter te maken.

Vraag is: dienen de talrijke subsidies daarvoor? Zouden ze niet beter aangewend worden om kleine artiesten te steunen en hen een broodnodig podium te bieden? Zouden ze niet eerst en vooral gebruikt moeten worden om te investeren in beginnend talent, in plaats van financieel sterke groepen nog meer te sponsoren?

De overkoepelende vereniging van culturele centra zou zich eens terdege in vraag moeten stellen. En de minister van Cultuur zou zich ervan bewust moeten zijn. Helaas zal de hongerige wellicht nooit in de hand bijten van wie hem eten geeft.

GT