Terrorisme en extremisme

by Wart Van Schel | 29 oktober 2015 00:12

Lees Voor

Uitwisseling van informatie en voeding databanken blijven een pijnpunt

Vorige week werd via De Standaard het bericht verspreid dat bij de federale politie op centraal niveau slechts één rechercheur deeltijds het internet afspeurt naar radicale boodschappen en naar Syriëstrijders. Bron van dit nieuws zou een verslag zijn van het Comité P, de toezichthouder op de politiediensten, waarin gesproken wordt van een ‘gruwelijk’ capaciteitstekort. Dit bericht wekt verkeerdelijk de indruk dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten in dit land onvoldoende capaciteit en aandacht zouden besteden aan de opsporing op het internet van criminele activiteiten in het algemeen, en van terrorisme in het bijzonder. Niets is minder waar. Internet en sociale media worden druk gevolgd. Zowel nationaal als internationaal is de uitwisseling van de informatie echter een pijnpunt en zijn er ook regelmatig spanningen onder de ‘eigenaars van de informatie’.

2015-44_05_RiRo (Medium)[1]In dit land houden drie diensten zich bezig met het opsporen, verwerken en terug verspreiden van informatie: de algemene dienst inlichtingen en veiligheid van defensie (ADIV), de staatsveiligheid (SV) en de politie. In verband met terrorisme en extremisme worden deze drie diensten geacht hun informatie over te maken aan het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD), dat dan op basis van de verstrekte gegevens uiteindelijk het dreigingsniveau bepaalt voor een locatie, een persoon, een evenement…

Al deze diensten hebben welomschreven taken en een specifiek actieterrein, wat niet uitsluit dat ze al eens op elkaars terrein durven komen. André Vandoren, directeur van OCAD, werd onlangs op de vingers getikt omdat hij of zijn dienst zelf informatie zou hebben ingewonnen. Andere inlichtingendiensten lijken daar nogal gevoelig voor. Mogelijk ligt dit feit aan de basis van het nakend ontslag van Vandoren. Nochtans blazen heel wat Europese landen de loftrompet over een orgaan als OCAD als uniek instrument in de strijd tegen het terrorisme.

Europol

De federale politie beschikt over een centrale antiterreureenheid die onder andere moet speuren naar radicale boodschappen op internet en sociale media. Volgens het Comité P is die dienst thans onderbemand, maar dat betekent niet dat door de politie op het terrein helemaal niets wordt gedaan. Zo beschikt iedere gedeconcentreerde gerechtelijke directie, nu op provinciaal niveau, over terrorismespeurders. Ook sommige lokale politiediensten hebben gespecialiseerde cellen binnen hun afdeling recherche. Hun inlichtingen worden per definitie overgemaakt naar de centrale directie, die ze dan verder analyseert en eventueel nationaal en internationaal verspreidt. Veel hangt af van de informatiestromen en daar wringt wel eens het schoentje.

Het blijft een feit dat politie- en inlichtingendiensten niet altijd happig zijn om hun informatie te delen met andere diensten, ook al zijn ze daartoe wettelijk verplicht. Het ego van bepaalde diensten is daaraan wellicht niet vreemd. Bovendien blijken ‘de eigenaars van de informatie’ de eersten om te beslissen welke bestemming aan de informatie wordt gegeven. Het kan dus al verkeerd lopen aan de bron. Nog onlangs werd een politieman veroordeeld tot twee maanden met uitstel omdat hij te lang zou gewacht hebben om mogelijk belangrijke informatie over de aanslag op het Joods Museum te Brussel door te geven aan de federale gerechtelijke politie.

De uitwisseling van de informatie en de voeding van databanken blijkt op internationaal vlak echter het grootste probleem. Europol in Den Haag probeert het berichtenverkeer tussen de politiediensten van de Europese lidstaten te stroomlijnen met het SIENA-project (Secure Information Exchange Network Application) en dringt aan op correcte voeding van haar databanken. Vooral dat laatste is een pijnpunt voor sommige landen. België blijkt nog één van de beste leerlingen van de klas te zijn, maar veel EU-lidstaten vertikken het gewoon, of beschikken niet over de middelen, om op regelmatige wijze correcte informatie door te spelen over de criminele activiteiten op hun grondgebied. Bij gebrek aan voeding is de gevraagde informatie in het Europol Information System (EIS) dan ook onvolledig of gewoon niet aanwezig. Het systeem voorziet nochtans in het veilig delen van gevoelige informatie en de automatische herkenning van mogelijke ‘hits’ door het vergelijken van gegevens. Een belangrijk middel bijgevolg in de strijd tegen criminaliteit en terrorisme.

Profileringsdrang

Ook Interpol mengt zich in het debat. Op 15 oktober organiseerde de internationale politieorganisatie in de hoofdzetel te Lyon een bijeenkomst met de lidstaten en met Europol om de violen gelijk te stemmen. Niet zo evident, want beide politieorganisaties treden soms in concurrentie als het gaat over het beheer en gebruik van databanken. Europol zal zich vooral richten op het opvolgen van terroristische propaganda en extremistische activiteiten op het internet en in de sociale media. Daartoe werd op 1 juli 2015 reeds the European Union Internet Referral Unit (EU IRU) opgericht. Het doel is de lidstaten te ondersteunen met operationele en strategische analyses. Interpol zal zich vooral richten op de mensensmokkel en wil internationaal coördinerend optreden via een Specialist Operational Network dat alle informatie van de 190 lidstaten in verband met mensensmokkelaars wil verzamelen en opnieuw verspreiden. Volgende maand is een nieuwe vergadering gepland in de Maltese hoofdstad Valletta.

Uit dat alles blijkt dat er toch wat beweging is op het terrein van de informatiewinning en informatiedeling. Dat alle landen en de internationale politiediensten uiteindelijk afhankelijk zijn van de aanvoer van de basis, de politie- en inlichtingendiensten op het terrein, hoeft geen betoog. De uitwisseling van de inlichtingen blijft echter een pijnpunt omdat het bureaucratische gehalte naar verluidt nogal groot is en vele diensten en organisaties van de asielcrisis gebruikmaken om zich te profileren. Iedereen tapt uit hetzelfde vaatje en wil zijn deel van de koek. In die zin valt ook moeilijk aan te nemen dat er sprake is van een ‘gruwelijk’ tekort aan capaciteit bij de federale politie. Wie eerlijk is, en enigszins vertrouwd is met de wandelgangen van de centrale directies, weet dat er veel wordt vergaderd, maar men zich er beslist niet in bloed, zweet en tranen werkt. Centrale directies werken doorgaans ook niet op het terrein. Bovendien kennen internet en sociale media geen grenzen en zijn ze toegankelijk voor alle opsporingsdiensten. Wel lijkt er volgens ingewijden een grote nood te zijn aan coördinatie en aan materiële en juridische middelen om de internationale uitdagingen aan te gaan. Dit is eerder een Europees dan een Belgisch probleem. Europa blijft immers een huis met vele (Schengen)kamers waar momenteel iedereen vrij in en uit kan lopen, behalve de veiligheidsdiensten. En dat laatste is wellicht de kern van het probleem in de bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit en het terrorisme.

RIRO

Endnotes:
  1. [Image]: http://pallieterke.syrinxweb.ovh/wp-content/uploads/2015/10/2015-44_05_RiRo-Medium.jpg

Source URL: https://pallieterke.net/2015/10/terrorisme-en-extremisme/