Lance Armstrong en doping

The Program

De zaak-Lance Armstrong moeten we niet meer introduceren. Het grootste fraude- en dopingschandaal in de geschiedenis van de wielersport is genoegzaam bekend, mag ik veronderstellen. Dat precies zijn thuisland, de Verenigde Staten, na vermoedens tastbare bewijzen voorlegde en Armstrong op die manier tot bekentenissen dwong, verdient alle lof, maar geloof me vrij dat heel wat Amerikaanse wielerfans hem nog steeds als een halve held beschouwen die het hele Europese wielerwereldje het nakijken gaf. Winnen is immers het doel, en hoe je dat bereikt, is voor veel Amerikanen bijzaak.

Die “winner takes it all”-mentaliteit was van af het begin ingecalculeerd in de strategie van Armstrong. Hij presenteerde zichzelf als de man die kanker overwon, keihard trainde en zich omringde met een sterk team. Daarnaast – bleek later – liet hij zich op een haast wetenschappelijke manier begeleiden in zowat alles dat in de wielersport, en in elke sport tout court, verboden is. Het leverde hem zeven eindoverwinningen op (1999 tot 2005) in de Ronde van Frankrijk, een legendarische status en vele verdachtmakingen. Dat laatste verminderde wat in kracht toen Armstrong besloot zijn fiets aan de haak te hangen, maar toen hij in 2009 een comeback maakte, kwam alles weer naar boven, wat uiteindelijk leidde tot Armstrongs schuldbekentenis in Amerika’s meest bekeken talkshow “Oprah” en de verbeurdverklaring van zijn overwinningen.

In het licht daarvan is “The Armstrong Lie” een onthutsend document, dat met fragmenten uit het “Oprah”-gesprek begint. Toen Armstrong zijn comeback aankondigde, was zijn arrogantie zo groot dat hij documentairemaker Alex Gibney (een fan, overigens) toelating gaf om een film over hem te draaien. Maar wat aanvankelijk het verslag moest worden van een nieuwe triomftocht werd dat niet helemaal, en nam een totaal andere wending met Armstrongs bekentenisinterview. Het resultaat met de veelzeggende titel “The Armstrong Lie” was bij ons, voor zover ik weet, nog niet te zien, maar je kan die zonder problemen bekijken op Youtube. Het is het verslag van één grote leugen, een ontkenningsshow opgevoerd door een man die als een charismatische Hollywoodster alles onder controle heeft en iedereen, tot en met de journalisten plus het hele wielercircus, naar zijn hand zet.

Uit die beelden komt ook het “waarom” van Armstrongs carrière en vooral van zijn comeback – volgens experts een fatale vergissing – tevoorschijn: een tomeloze ambitie, een ijzeren wil om te slagen, de roem, de aandacht, de adoratie, de glorie, de macht, het geld (Armstrong is met voorsprong de rijkste wielrenner ooit), de sponsors die in drommen staan aan te schuiven. Wat er achter de schermen gebeurde, kon of mocht Gibney – ik zou bijna zeggen, uiteraard – niet filmen.

Dat is precies wat de Britse cineast Stephen Frears in “The Program”, een fictiefilm, of als je wilt een docudrama, wel kon laten zien. De bijna 75-jarige Frears heeft er al een eigenzinnige carrière opzitten. Van succesvol televisiemaker naar opmerkelijke cineast, met realistische films (“My Beautiful Laundrette”, “The Van”) en zelfs dure Hollywoodproducties. Zijn jongste grote succes was “The Queen”, met Helen Mirren in de rol van koningin Elizabeth, ook een soort docudrama.

De basis van “The program” wordt gevormd door het boek van journalist David Walsh (in de film vertolkt door Chris O’Dowd) die nooit een woord van Armstrong geloofd heeft en diens ontmaskering bijna als een missie beschouwde en daardoor als een paria werd behandeld in het wielermilieu. De film begint in 1993 wanneer Armstrong (een rol van Ben Foster) voor het eerst deelneemt aan de Ronde van Frankrijk en er niks van bakt. Vervolgens zie je hoe Armstrong zich voorbereid op zijn nieuwe rol, die van winnaar, een tegenslag te verwerken krijgt als in 1996 kanker wordt vastgesteld, die overwint (wat hem een bijkomend aura bezorgt), dan weer de draad opneemt in de verwezenlijking van zijn doel.

In wezen vertelt “The Program” niets nieuws. We kennen het succesverhaal, hoe dat tot stand kwam en hoe het is afgelopen, maar het is toch nog wat anders als je de planning en de uitvoering meemaakt (ook al is het dan fictie). Krantenartikels en een boek kunnen nooit hetzelfde emotionele effect teweegbrengen, en wat televisie betreft, geef toe dat je daar alleen maar de koers te zien krijgt. Enfin, ik kan mij geen kritisch programma of commentaar herinneren van “onze specialisten en wielerkenners” terwijl ze urenlang Armstrongs “triomftochten” begeleidden.

Je komt weinig te weten over Armstrongs familiaal leven. Dat is, toegegeven, niet het onderwerp, maar je vraagt je toch af hoe die man communiceerde met zijn naaste omgeving. Het moet haast onmenselijk geweest zijn om dag in dag uit geconfronteerd te worden met je eigen leugens. Een stuk verklaring ligt misschien in de schijnbaar vlakke vertolking van Ben Foster, waardoor Armstrong in alle omstandigheden overkomt als een koele kikker die zijn emoties perfect onder controle heeft. Het meest complexe personage is ploegmaat Floyd Landis (een steengoede vertolking van Jesse Plemons), de klokkenluider die in zijn statements zichzelf niet spaart en de morele gevolgen van de hele affaire niet uit de weg gaat.

K.T.