De rode

Een plotse wolkbreuk belette me het Noorderterras te bereiken. Een paraplu had ik niet bij. Er bleef niets anders over dan mijn toevlucht te zoeken in een café. Ik hoefde niet ver te lopen om er één te vinden. Omdat ik aan het venster wilde zitten, was ik verplicht plaats te nemen tegenover een man die aan het enige tafeltje zat met uitzicht op de straat.

Beleefdheidshalve vroeg ik hem: “Mag ik?”

Hij gaf een korte knik met zijn hoofd.

Het was voormiddag, nog te vroeg om bier te drinken. Ik bestelde een koffie. Die smaakte me niet echt. Die van thuis is stukken beter, op grootmoeders wijze, met een greepje cichorei erin. Maar ik zat droog en ik hoopte dat de bui vlug zou overtrekken.

De man over me zat in een krant te lezen. Eerst had ik er geen erg in, maar toen hij een bladzij omdraaide, zag ik dat het De Morgen was. Daaruit kon ik maar één besluit trekken. Ik zat aan tafel met een rode!

Er was natuurlijk nog een andere mogelijkheid. Sommigen moeten voor hun beroep diverse kranten lezen. Mocht ik dat voor de hoofdredacteur moeten doen, zou het nooit in mijn hoofd opkomen De Morgen in het openbaar te zitten uitpluizen.

Nu goed. Er bleef mij niets anders over dan naar buiten te staren en te wachten tot de regen ophield.

Zonder een woord te zeggen, schoof hij een bladzij van zijn De Morgen naar mij toe. Een uitnodiging om mij te zeggen: lees maar. Vriendelijk was het wel van hem. Met twee vingers pakte ik die bladzij bij een puntje beet op en schoof ze terug.

“Ben jij er vies van?”, vroeg hij.

Ik twijfelde even hoe ik het best kon reageren en zei dan: “Ik ben allergisch voor rood.”

De blik waarmee hij mij bekeek, doorboorde me bijna.

“Mijn overgrootvader was rood, mijn grootvader is rood, mijn vader is rood en ik ben nog roder”, zei hij.

“Zoals de tomaten?”, vroeg ik.

Zijn ogen bliksemden en hij baste: “De wereld zou beter worden mocht er meer rood zijn. Denk maar hoe zalig het vroeger was. Nu is alles naar de k…” Hij stokte en hield zich in.

Ik zei: “Knoppen.”

“Alles is naar de knoppen”, zei hij.

De man bleek nog op te voeden.

“Kijk eens naar de geschiedenis, kameraad”, ging hij verder.

Kameraad? Hoogstens een cafékennis, dacht ik.

“Het zijn de roden die de wereld hebben gemaakt. Het waren de roden die de last op hun schouders torsten om de werkman uit de armoede te trekken. Met de nieuwe regering wordt hen dat belet.”

Hij wapperde met zijn De Morgen. “Gelukkig hebben wij deze nog.”

“En ook rode mannen die de rode boodschap uitdragen. En rode vrouwen ook”, vulde ik aan.

Hij was duidelijk in de war met mijn reactie en hapte even naar lucht alvorens te zeggen: “Jij zei daarjuist dat je allergisch bent voor rood. Neem nu de Steve uit Limburg. Als er ooit iemand was die de rode boodschap uitdroeg, dan was hij het wel.”

“Natuurlijk, man. Hij zorgde zelfs voor rode wangen bij de vrouwen.”

De aders op zijn voorhoofd zwollen.

“Dat heeft daar niets mee te maken. Hij liet de mensen gratis rijden met de tram. Nu moeten ze terug betalen. Als rood geen forse stem heeft, zitten de anderen alleen maar in de zakken van de kleine man. Wacht tot 2019, als rood terug glorierijk aan de macht komt.”

“Hoera! Alles gratis”, lachte ik.

“De rijken moeten betalen! Wij zullen ze laten bloeden. En deze rode zal op de eerste rij staan”, wees hij op zijn borst. “De mensen moesten meer De Morgen lezen!”

“Bij mij komt die niet in huis”, zei ik.

Bij die woorden haalde ik ’t Pallieterke uit mijn zak en plooide het open. Zijn ogen puilden uit hun kassen en zijn hoofd zwol op tot een vuurrode pioen.

“Nu ben jij pas een échte rode”, lachte ik.

TdW