Malaise bij de PS

Inspelen op de verzuchtingen van een steeds groter wordende groep allochtonen in Brussel lijkt het winnende recept van de PS te zijn. Toch kan de schone schijn die naar buiten opgehangen wordt, niet verhullen dat de interne problemen aanzienlijk zijn. Een korte doorlichting.

Wat baart de Brusselse PS de meeste zorgen, tegenvallende peilingen, of een maatschappelijke verankering die, alle uiterlijke kenmerken ten spijt, niet naar wens verloopt? Eerst die peiling. In de recentste bevraging van RTBF/La Libre Belgique zou de Brusselse PS 20,2 procent halen, goed voor een verlies van 5,4 procent ten opzichte van 2014. De top sust, maar zonder echt te overtuigen. “In 2014 gaven de peilingen ons 19,2 procent, maar we haalden 25,6 procent”, klinkt het. Klopt natuurlijk, maar dat was in 2014. De volgende gewestverkiezingen zijn pas in 2019, voorafgegaan door de gemeenteraadsverkiezingen in 2018. Een eeuwigheid in de politiek.

Delicater, zeker op lange termijn, is het slinkende ledenbestand van de partij. Officieel heet het dat er 9.000 leden zijn, alleen is het een publiek geheim dat dit schromelijk overdreven is. In werkelijkheid zou de hoofdstedelijke PS nog maar 3.000 betalende leden in haar rangen tellen. Ter vergelijking: in 1973 waren er dat 17.000. Waarom dan die 9.000 naar voor schuiven? Wellicht om niet af te gaan ten opzichte van de Luikenaars van wie er 9.000 wel in hun buidel tasten om lid te zijn van de club.

De malaise binnen de partij is onmiskenbaar. De sterkte die ze uitstraalt, put ze vooral uit de regionalisering van het land; uit instellingen waar ze greep op heeft. Maar dat is nog iets anders dan geschraagd worden door een daadwerkelijke verankering die om iets meer draait dan louter postjes en belangen. Men vergeet het soms, maar deze afdeling is de enige voor wie het aanduiden van ministers en kabinetsmedewerkers (om maar te zwijgen van de politieke benoemingen die eruit voortvloeien) een intern verhaal is. Over die benoemingen beslist men gewoon zelf, zonder dat de partijtop er iets tegen kan inbrengen. Geen enkele Waalse afdeling valt dat geluk te beurt.

Cruciaal in dit verhaal is Laurette Onkelinx, in Brussel geparachuteerd als opvolgster van Philippe Moureaux. Haar imago van gauche caviar is geen troef (de facto woont ze in Lasne, en dat weet men intern). Maar wat het meeste stoort, is haar autoritaire aanpak. Ook haar manier van besturen, is uit de vurige stede geïmporteerd. Tegenstanders worden genadeloos op een zijspoor geplaatst, en wie op een goed blaadje wil staan bij la présidente kan zich maar beter bekwamen in hielen likken. De Brusselse burgemeester Yvan Mayeur behoort tot dat kliekje, met als gevolg dat hij zich de meest grove uithalen kan permitteren zonder berispt te worden. En uiteraard speelt nepotisme, onder meer voor de zoon van haar echtgenoot, Marc Uyttendaele, de flamboyante advocaat en ULB-prof. Op 24-jarige leeftijd werd die mooi in het parlement gegidst.

De opvolging van Moureaux is niet goed voorbereid, klinkt het bij de basis. Vroeger had je een Moureaux en een Picqué die onderling behoorlijk verschilden, maar hierdoor het geheel in evenwicht hielden. Nu is er enkel die Laurette en haar groep getrouwen.

Nog iets over de achterban. Jaren geleden al trok de PS duidelijk de kaart van het ‘communautarisme’. Van de wijzigende sociologie in Brussel een electoraal voordeel maken, dat was het doel. In belangrijke mate is dat gelukt, zij het met veel tandengeknars. De autochtone achterban ziet een alternatief in het FDF, terwijl bij de allochtone groepen de bedreiging van de PVDA reëel is.

KNIN.