Develop ineo+454e-20151207115438Wim Maes en zijn mannekens

Karel Luyckx is een trouwe kameraad en heeft een toffe pen. In een fris boekje, uitgegeven door de zakelijke en rebelse Freddy van Gaever, memoreert hij zijn ervaringen met de VMO. De kameraadschap, verbondenheid, gedrevenheid en bovenal het lef van zij die opnieuw begonnen na de georkestreerde Belgische vernietiging van het radicaal-politieke Vlaanderen in 1945-1950, is de rode draad.

De 132 bladzijden van Luyckx zijn geen academische geschiedenisles – daarvoor ruikt het zweet van de knokkende en marcherende mannen te zurig en wordt het hijsen van pilsjes na actie 101, de militantentaal en het Vlaamse radicalisme te realistisch beschreven -, maar zij vormen een boeiende aanvulling bij het archievenwerk van de volgende vlijtige student van een hoofdstuk van de Vlaamse emancipatie dat nuttig, nodig en idealistisch was. Zonder dergelijke getuigenissen als humus voor het plechtige werk is geschiedkunde suf. Over de Vlaamse Beweging moeten niet enkel profs, papiersnuffelaars en doctorandussen hun pen hanteren. De basis weet meer dan die van de ivoren toren, omdat zij ooggetuige was.

Wandluizen

De zeer prille Volksunie en de VMO waren solidair en hadden mekaar nodig. De eerste tien jaar na 1945 waren een calvarie voor iedereen die Vlaams ageerde. Wat gebeurd was in de kampen, tijdens de veldtochten, onder de bezetting, werd in de schoenen geschoven van zelfs de meest bleue Vlaamsgezinde. Je moest hard zijn, geen menselijk opzicht hebben, geraakt zijn in je trots en idealen om VMO’er te worden of oprichter te zijn van de Volksunie, of, kort voordien, de Vlaamse Concentratie. De liefde tussen VU en VMO kantelde definitief na vijftien jaar, zeker omdat VU-bons Hugo Schiltz de mannen met het grijze hemd, de zwarte das en de donkere broek bedacht met het scheldwoord: wandluizen. De wrevel was wederzijds. De salonvleugel en de straatvleugel zijn, zoals bij elke emancipatiebeweging, geïrriteerd door mekaar.

Karel Luyckx probeert met de schets van zijn militantenjaren duidelijk te maken wat de VMO teweegbracht en waarom Wim Maes, als chef van de Antwerpse vleugel – die in daad en aantal de Gentenaren en de Brusselaars van de organisatie overklasten -, zijn mannekens in het gareel hield en inspireerde. Luyckx is daarin geslaagd. Het doet deugd om in knapperig Nederlands anekdotes en voorvallen te horen, over de Franse preken in Antwerpen, de Voerstreek, de Franstalige Spaak die het in zijn moedertaal komt uitleggen bij de rode kameraden in Vlaanderen, de marsen op Brussel, de inzet voor amnestie. Bijzonder geslaagd zijn de miniportretten van Joris Ferir, Leo Ryckeboer, Ivo Collier en Maurits Vanderbrugge. Nooit zullen zij een editie halen van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging of een tentoonstelling uitlokken bij het ADVN, maar zij zijn daarom niet minder essentieel voor de verheffing van een volk uit zijn zwakte en schande. Dit alles is maximaal één mensenleven oud en toch vaak verwasemd, dus bedankt Luyckx.

K.R.