In Nederland is Jan Pieterszoon Coen een begrip, doch in Vlaanderen is hij onbekend. De tunnels onder het IJ in Amsterdam, berucht om de vele files, dragen zijn naam, maar de historische figuur Coen is nog altijd onderwerp van twist.

Een calvinist in Rome

Tot in de jaren vijftig wordt Coen in de Nederlandse scholen opgehemeld als de stichter van het rijk van Insulinde, het huidige Indonesië, waarover Nederlanders op school leren: “Indië verloren, rampspoed geboren.” Coen is geboren in Hoorn, een prachtig historisch havenstadje aan de Zuiderzee en een dagtrip waard. Bij zijn geboorte is hij in theorie nog een onderdaan van Filips II, graaf van Holland. Maar Hoorn staat al een tijd aan de kant van de Opstand. Zijn vader, een calvinist, is handelaar en een schipper in de stad die leeft van de zee. In die tijd is handel drijven zoiets als een georganiseerde weddenschap. Er wordt zelfs effectief gewed of transacties al dan niet slagen. Een storm op zee, een beleg van een stad of een epidemie en de hele vracht gaat verloren en dan dreigt het faillissement. Een vlot en zeker betalingsverkeer bestaat niet in de internationale handel. Alles is gebaseerd op vertrouwen zodat in de meeste handelshuizen alleen familie of vrienden ingeschakeld worden. De goede naam is zeer belangrijk voor een handelaar en Coen hecht zijn hele leven lang een bijzonder belang aan zijn reputatie. Hij is een overtuigd calvinist die in alles de hand van God ziet; die zoals de meeste van zijn tijdgenoten (protestanten en katholieken) denkt dat een tegenslag een straf van God is en een succes het bewijs van Gods welgevallen. Als calvinist weet hij van in zijn jeugd dat het succes van de Opstand bewijst dat de Here aan de zijde staat van de jonge Republiek der Verenigde Provinciën. Het doet dan wel raar aan dat hij op zijn dertiende naar de woonplaats van de antichrist vertrekt: Rome. Maar calvinisten zijn er sterk in tegelijk dominee en koopman te zijn. Via een familielid krijgt hij een dure stageplaats bij de katholieke Vlaamse familie De Visscher uit Oudenaarde, die al twee generaties in Rome woont. De Vlamingen hebben ook een protestantse tak en in zaken verstaat de familie zich. Coen leert zeven jaar lang handelscorrespondentie, talen en het nieuwe dubbele boekhouden dat het mogelijk maakt een ernstige winst-en-verliesrekening op te stellen. Bij de familie De Visscher wordt hij een man van de wereld die zijn manieren kent en die zich later op zijn gemak voelt in het gezelschap van de oligarchen die Amsterdam en de Republiek regeren. Wanneer hij naar huis komt, is hij niet geïnteresseerd in een gewone baan. Met zijn opleiding is hij een ideale rekruut voor de nog jonge Verenigde Oost-Indische Compagnie, die bijna voor de helft gefinancierd wordt door uitgeweken Zuid-Nederlanders. De VOC krijgt van de Staten-Generaal (die officieel het staatshoofd zijn van de Republiek) het monopolie voor de hele handel in Azië. De Staten-Generaal financieren ook overheidssubsidies voor een grote vloot die handelsbetrekkingen moet aanknopen, maar tezelfdertijd schepen en Aziatische vestingen aanvallen van de vijand: de koning van Castilië, Aragon en Portugal die ook de heer der Nederlanden is.

De modelbeambte

Coen vertrekt aan boord van een Hollandse vloot in december 1607. De zeereis duurt bijna een jaar voor zijn schip aankomt bij één van de Indonesische eilanden, waar hij specerijen (vooral kruidnagel en peper) aankoopt. De admiraal van de vloot probeert Spaanse en Portugese schepen te kapen of een klein fortje te veroveren en daar een stapelplaats van te maken. Tropische ziektes, gebrekkige hygiëne, gevechten onderling en strijd met de vijand veroorzaken altijd veel slachtoffers bij de Europeanen. Coen heeft een ijzeren constitutie, want Rome en zijn omliggende moerassen waren ook ongezond. Hij toont zijn kennis en zijn werklust en hij is minder corrupt dan de meeste van zijn collega’s. Hij drinkt weinig en hij laat de inheemse vrouwen met rust. In mei 1610 keert hij terug naar huis: een tocht van veertien maanden. Hij heeft het geluk aan zijn zijde. De vorsten van de (Zuidelijke) Nederlanden, Albrecht en Isabella, sluiten een twaalfjarige wapenstilstand met de Republiek. De compagnie kan bijgevolg veel nieuwe manschappen rekruteren voor haar expansie. De Heren XVII die de VOC besturen, zijn onder de indruk van Coen. Jonge mensen krijgen in die tijd een veel grotere verantwoordelijkheid dan vandaag.

Van vlootvoogd tot gouverneur-generaal

Hij is 25 als hij vlootvoogd wordt van twee grote schepen die naar de Oost varen om specerijen te kopen en te vechten, want die wapenstilstand geldt alleen in de Lage Landen. Coen is geen militair of scheepskapitein die zelf aanvallen leidt, maar wel de man die de strategie bepaalt om de doelen te bereiken die de VOC stelt, en tezelfdertijd het hoofd van de administratie. Typisch voor Coen is het overleg dat hij pleegt met zijn kapiteins, militairen en ondergeschikten, gedurende heel zijn loopbaan; aan het einde van de rit doen ze allemaal wat hij wil. Hij heeft ook de technologie aan zijn zijde. De Hollanders en de Zeeuwen bouwen inmiddels zo’n goede schepen, met zware scheepskanonnen, dat ze bijna altijd superieur zijn aan de Aziatische vaartuigen en aan andere Europese schepen. Dat is nodig, want in Azië is niet alleen de vijand maar ook de vriend een geduchte concurrent. Met Spanjaarden en Portugezen maken de Hollanders korte metten. De wreedheid waarmee gevochten wordt, is ontstellend. Het protestantse Engeland, bondgenoot in Europa, eist een deel van de specerijenkoek op; er zijn gedurig ruzies en vechtpartijen tussen de dienaren van de VOC en de Engelsen van koning Jacobus. Coen is erg boos omdat de compagnie her en der kleine fortjes bouwt om de handel te beschermen en hij verwijt de Engelsen dat ze die kosten niet maken en gratis profiteren van de Nederlandse bescherming. De inlandse vorsten spelen graag de Europese concurrenten tegen elkaar uit om de prijs voor hun specerijen op te drijven, maar gelukkig voor de Nederlanders beoorlogen de plaatselijke heersers elkaar voortdurend. Coen wordt een gehaaide onderhandelaar die bondgenootschappen sluit, verdragen opstelt of ze met een smoes verbreekt, want in zijn Romeinse tijd heeft hij de lessen van Machiavelli onthouden. Ondanks de enorme afstand en de lange reisduur brengt hij meer dan zijn collega’s zijn opdrachtgevers op de hoogte. Coen is een stilist die graag, veel en goed schrijft. Zijn rapporten lardeert hij met persoonlijke en originele informatie. Hij is niet te beroerd om zijn bazen de mantel uit te vegen als het nodig is. In een beroemd “Discoers” pleit hij als eerste om zich niet te beperken tot wat factorijen en fortjes waar zelden meer dan honderd Nederlanders resideren. Hij wenst Spaanse en Portugese bezittingen te veroveren en te koloniseren, de Engelsen weg te vegen en een (nog beperkt) zee-imperium te stichten. Hij adviseert de VOC zich toe te leggen op de interne Aziatische handel: transporten tussen China en Japan, tussen India en zijn Indië. Dit wordt later inderdaad het grote verdienmodel van de VOC. Coen stijgt gestaag in de hiërarchie en de compagnie benoemt hem in 1619 tot gouverneur-generaal van de Aziatische bezittingen. Coen wordt koopman-onderkoning, die toezicht houdt op de boekhouding, de financiën, de schepen en de vestingen in Azië die soms op duizenden kilometers van elkaar liggen. Hij kan nu zijn ideeën in de praktijk brengen. (Volgende week meer.)

Jan Neckers