Het verhaal van Jan Pieterszoon Coen is een fraai voorbeeld van mentaliteitsgeschiedenis. Zijn tijdgenoten zijn meer geschokt door één terechtstelling dan door de massamoord op inheemsen.

Gouverneur-generaal in Azië

Coen is 30 als de Verenigde Oost-Indische Compagnie hem aanstelt als gouverneur-generaal van de Aziatische bezittingen. Het duurt achttien maanden vooraleer alle Nederlanders het weten. Er liggen duizenden kilometers tussen alle vestingen; dat vergt maanden reizen. De compagnie heeft niet alleen vertegenwoordigers in het huidige Indonesië (5.300 kilometer van oost naar west, 1.600 kilometer van noord naar zuid), ook in Japan, in Taiwan, in Perzië, in Ceylon, in Mozambique en in Malakka zitten VOC-dienaars. Een eerste taak van Coen is de uitrusting van (door de Staten-Generaal gesubsidieerde) vloten en legertjes om de bezittingen van Castillianen en Portugezen met geweld in te nemen en er VOC-basissen van te maken. Hij zendt bijvoorbeeld een vloot naar Macao in China om de Portugezen te verdrijven, maar dat mislukt. Zijn tweede taak is administratief: de financiën van die ingewikkelde onderneming in het oog houden en een winst-en-verliesrekening opmaken van al die handels- en oorlogsactiviteiten. Hij moet voortdurend de bazen in de Republiek aan het hoofd zeuren om geld, veel geld. De producten die de VOC-dienaars inkopen (zijde, kruidnagel, peper) worden in Europa “peperduur” verkocht, tegen meer dan tien keer de aankoopprijs, maar de uitgaven voor vloten en legers romen het grootste deel van de winsten af. Daarenboven, de Aziaten zijn niet geïnteresseerd in Europese goederen, dus moet Coen altijd goud en zilver ter beschikking stellen van zijn koopmannen om die specerijen te betalen. De handelseconomie van de Republiek hangt maar voor een paar procentjes af van die nog altijd beroemde VOC. De handel in de Oostzee, waar de Hollanders en de Zeeuwen graan en huiden inladen, is veel belangrijker. Zij zijn in heel Europa de internationale vrachtvervoerders, inkopers en verkopers van gebruiksvoorwerpen in hout en metaal, van alle soorten textiel en van gezouten voeding.

De “Flemmings” tegen de Engelsen

Naast veel papierwerk houdt Coen zich met praktische zaken bezig. Hij controleert persoonlijk de kwaliteit van de ingekochte goederen. Voor alle Aziatische heersers is hij het aanspreekpunt. Hij moet voortdurend brandjes blussen; Oost en West begrijpen elkaar dikwijls letterlijk niet. Coen is een overtuigd calvinist, maar hij eist dat de compagniedienaars respect tonen voor de mohammedanen. Hij beseft dat hij een beroep moet doen op Chinese tussenhandelaars die al veel langer ter plaatse zijn, veelal de taal kennen en een eigen netwerk bezitten. En hij moet de vele kapers op de kust dwarszitten. Dat zijn in de eerste plaats de Engelsen, die overal opduiken en meestal hogere prijzen bieden. Een paar keer komt het tot zware botsingen tussen de vloten. De Engelsen aanvaarden het monopolie niet dat de “Flemmings” overal willen vestigen. Het zegt iets over de Engelse perceptie van Hollanders en Zeeuwen dat ze hun tegenstanders in hun documenten meestal Vlaming noemen, want ze schakelen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden nog altijd gelijk met Vlaanderen dat ooit het rijkste Nederlandse gewest was. Coen beslist ook de financiën, de administratie en de coördinatie van al die verspreide Aziatische bezittingen op één plaats te centraliseren, waar tevens de goederen in grote pakhuizen worden bijeengebracht voor de thuisvloot. Dat wordt Jakatra op Java, en de VOC verbiedt hem de plaats Nieuw-Hoorn te noemen naar zijn geboortestad. Het wordt Batavia en dat blijft het tot in 1949, wanneer de Nederlanders definitief vertrekken en de stad voortaan Djakarta heet. De plaats is geen eigendom van de Republiek, dus laat Coen de plaats veroveren zodat ze op grond van het oorlogsrecht bezit van de VOC wordt. De inheemse legers zijn geen partij voor de gedisciplineerde Europeanen; ze bezitten geen vuurwapens en gaan meestal al na een eerste salvo op de loop. Vervolgens laat hij er een echte stad bouwen, met hulp van Chinese koelies en de import van negerslaven. In 1621 besluit hij voor eens en altijd korte metten te maken met de onafhankelijkheid van de kleine Banda-eilanden waar de winstgevende muskaatnoten vandaan komen. Hij eist dat de inwoners niet langer aan de Engelsen verkopen en dat ze het monopolie van de Compagnie erkennen. Dat gebeurt schoorvoetend. Achter de rug proberen de Bandanezen hem te bedriegen. Coen laat de militairen los en de plaatselijke leiders worden gruwelijk terechtgesteld. Men hakt ze levend in vier stukken. De bevolking wordt uitgeroeid, al is Coen alweer vertrokken tijdens de ernstigste excessen. Nogal wat Europeanen vinden dat Coen te ver gaat, maar zijn bazen hebben er geen problemen mee. In 1623 legt hij zijn functie neer. Hij wil eindelijk naar huis, om een gezin te stichten. De compagnie ontvangt hem met veel eerbetoon. De 37-jarige Coen, inmiddels zeer rijk, vindt zonder veel problemen een 18 jaar jongere bruid, bij wie hij een dochtertje krijgt. De VOC oefent veel druk op hem uit om opnieuw te vertrekken, al vragen de Engelsen zijn hoofd. Coen scheept zogenaamd anoniem in met zijn familie, en in 1627 begint hij zijn tweede ambtstermijn, waarbij hij als een spin in het web het Nederlandse imperium uitbouwt. Persoonlijk wordt hij niet gespaard. Op korte tijd sterven zijn zwager, zijn schoonmoeder en zijn dochtertje in Batavia.

De zaak-Sarah Specx

Die tweede ambtstermijn wordt overschaduwd door de zaak rond Sarah Specx, het vroegrijpe dochtertje van Coens belangrijkste adjunct en een Japanse concubine. Ze is verloofd met Pieter Cortenhoeff, de zoon uit een Hollands-Indonesische relatie. Het 12-jarige meisje en de 16-jarige jongen worden betrapt in “flagrante delicto”, in de gouverneurswoning. Coen laat Sarah geselen en de jongen onthoofden, want hij is een puritein, al is de officiële reden dat Cortenhoeff “majesteitsschennis” gepleegd heeft, omdat hij de woning van de onderkoning binnendrong.

Jan Pieterszoon Coen wordt ook slachtoffer van het tropenklimaat. Na een diner krijgt hij een acute darmontsteking en op een paar uur tijd sterft hij. Hij is 42. Zijn opvolger is de vader van Sarah Specx. De vrouw van Coen vertrekt naar huis met haar tweede dochtertje, dat tijdens de reis overlijdt. Thuis slaagt ze erin de helft van de erfenis van haar man te verkrijgen, want de familie van Coen probeert beslag te leggen op alles. Al tijdens zijn leven is er veel kritiek op Coen. De geseling van Sarah en de executie van haar minnaar krijgen evenveel publiciteit als de moord op de Bandanezen en andere oorlogsactiviteiten. Maar als de man die definitief de Nederlandse macht in de Oost vestigt, wordt Coen één van de grote Nederlanders naar wie straten en pleinen genoemd worden. In een crisissituatie schrijft de hevige calvinist Coen: “Dispereert niet.” Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden die gevleugelde woorden door zowel de koningin, de regering als het verzet gebruikt, dikwijls met een verwijzing naar Coen. Natuurlijk krijgt hij een paar mooie standbeelden; o.a. in Amsterdam en in Hoorn… tot de politiekcorrecten de kop opsteken. In 2011 krijgt zijn Hoorns beeld een tik van een kraan en het valt van zijn sokkel. Onmiddellijk wordt geëist dat het definitief in de mottenballen blijft, maar het jaar daarop staat Coen weer op zijn plaats. Wel lees je er nu dat Coen een visionair en krachtdadig bestuurder was “maar evenzeer wordt bekritiseerd om zijn gewelddadig optreden”.

Jan Neckers