Wallonië is geen exportland meer

In de eerste helft van 2015 steeg de Waalse export met amper 0,4 procent. Reden: de sterk afgenomen verkoop van de vaccins van farmabedrijf GSK. Is Wallonië te sterk afhankelijk van één bedrijf voor zijn export? Dan is dat een groot probleem.

Blijdschap en vreugde vorige week op het jaarlijkse congres van de Franstalige economen, deze keer aan de ULG in Luik gehouden. Econoom Jean Hindriks van het Itinera-instituut (in Vlaanderen heeft de denktank bekende gezichten met Marc de Vos en Ivan van de Cloot) presenteerde er een onderzoek over de economische toestand van Wallonië. En wat blijkt? De economische kloof tussen Vlaanderen en Wallonië wordt niet groter. In de periode 2000-2013 is het bbp per regio stabiel gebleven: 55 procent voor Vlaanderen, 25 procent voor Wallonië en 20 procent voor Brussel. Een verschil met de jaren tachtig en negentig, toen de welvaartskloof tussen Vlaanderen en Wallonië almaar groter werd. Die is nu gestabiliseerd. Het enthousiasme van de Waalse economen is begrijpelijk, maar het inkomen per hoofd van de Vlaming is wel nog altijd 27 procent hoger dan dat van zijn Waalse buur. De economische kloof niet groter laten worden, is één zaak; een andere zaak is het ervoor te zorgen dat Wallonië een inhaalbeweging maakt.

Dat kan alleen door een economische groei die een stuk sterker is dan in Vlaanderen. Voor een regio in een open economie als de Belgische, gebeurt dat best via de export. Ook wat Wallonië betreft, zelfs al is er geen zeehaven in Namen of Doornik, enkel een grote binnenhaven in Luik.

Met die export heeft Wallonië nu net een probleem. Laten we er wat cijfers bijnemen. Wallonië is goed voor amper 15,3 procent van de Belgische export. Brussel is goed voor 2,3 procent en Vlaanderen levert 82,4 procent van de uitvoer. Zoals gezegd: de Vlaamse zeehavens zitten daar voor veel tussen, maar het verklaart niet alles. Wallonië heeft met het Marshallplan van tien jaar geleden de nodige impulsen gekregen om exportproducten te ontwikkelen: in de biotechnologie en in de ruimtevaartindustrie, bijvoorbeeld.

De gevolgen zijn niet echt te merken in de statistieken. Zo steeg de Waalse export in de eerste zes maanden van dit jaar met amper 0,4 procent, waar het in de omringende landen en regio’s snel 4 tot 5 procent is. Awex, de Waalse exportdienst, spreekt van een tijdelijk fenomeen gerelateerd aan de lager dan verwachte groei in de wereld. Nochtans, dan zouden de groeicijfers van de export van andere regio’s en landen ook moeten stagneren en dat is niet het geval. Het is wel zo dat het dankzij de export naar de VS en de groeilanden is, dat Wallonië nog positieve cijfers kan voorleggen. Door de zwakke euro zijn de Waalse producten in die landen een stuk goedkoper geworden. Maar de export naar de landen van de Europese Unie is gekrompen met een verontrustende 4,2 procent. Nog erger: de uitvoer van Waalse producten naar Frankrijk (-16,5 procent) en naar Duitsland (-8,4 procent) is totaal ingestort. Het lijkt erop dat Wallonië geen exportland meer is.

Hoe komt dit? Zeer eenvoudig: de verkoop van vaccins van farmareus GSK, met zetel in het Waals-Brabantse Rixensart, is zwaar aan het terugvallen. En die vaccins worden vooral in de buurlanden afgenomen. Een conjunctureel fenomeen, zou men kunnen zeggen, maar het is minder onschuldig dan dat. Het toont aan dat Wallonië te afhankelijk is van een beperkt aantal producten. Bij Awex relativeren ze dat: “We moeten niet klagen dat we een grote speler als GSK op ons grondgebied hebben. Zo’n ondernemingen creëren altijd toegevoegde waarde. Zo’n bedrijf trekt in zijn kielzog altijd kmo’s aan.” Allemaal juist. Maar dat belet niet dat er werk moet worden gemaakt van een diversificatie van de exportproducten. Het is goed dat Awex nu contacten gaat zoeken op minder voor de hand liggende markten, zoals Iran, Vietnam en Argentinië. Maar men moet die landen ook voldoende te bieden hebben. Wallonië heeft nog veel werk voor de boeg.

Picard